Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:334
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:334 → ECLI:NL:GHSHE:2023:4335
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:334 → ECLI:NL:PHR:2025:23
Inhoudsindicatie
Verkrachting van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwd 17-jarig meisje door 40-jarige verdachte in woning van zijn moeder (art. 242 (oud) jo art. 249.1 (oud) Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten. 2. Vordering benadeelde partij. Kon hof door b.p. gevorderde reiskosten voor bijwonen van tz. in hoger beroep als rechtstreekse schade toewijzen en t.a.v. die kosten een schadevergoedingsmaatregel opleggen? 3. Vordering b.p. Kunnen gevorderde reiskosten voor bijwonen van tz. in h.b. als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, nu b.p. in h.b. met gemachtigde (advocaat) procedeerde? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Uit bewijsvoering blijkt dat verdachte wil van aangeefster heeft doorbroken door toepassing van geweld of andere feitelijkheid. Hof heeft verder overwogen dat verklaring van verdachte dat hij ‘out’ was tijdens seks niet goed valt te rijmen met zijn latere verklaring waarin hij stellig aangeeft dat geen sprake is geweest van dwingen maar van vrijwillige seks, omdat deze laatste verklaring duidt op volledige bewustheid van hetgeen heeft plaatsgevonden. Alhoewel verklaring van verdachte dat hij alles wazig heeft meegekregen niet per se tegenstrijdig is met zijn verklaring dat aangeefster vrijwillig seks met hem heeft gehad, doet dit niet af aan feit dat verdachte wisselend en onduidelijk heeft verklaard. Daartegenover staat verklaring van aangeefster die hof als eenduidig en consistent heeft aangemerkt en die steun vindt in ander bewijsmateriaal. Met oog op grote mate van vrijheid die feitenrechter geniet bij selectie en waardering van bewijs, waaronder weging van getuigenverklaringen, is beslissing hof om uit te gaan van lezing van aangeefster niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft ten onrechte bedrag van € 68,32 als schadevergoeding toegewezen aan b.p. Het gaat hier immers om reiskosten voor bijwonen van ttz. in h.b. die b.p. heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door strafbaar feit, maar als proceskosten waarover rechter op grond van art. 532 Sv in daar bedoelde gevallen afzonderlijke beslissing moet geven (vgl. HR:2017:653). Dit brengt mee dat deze kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij oplegging van de in art. 36f.1 Sr voorziene schadevergoedingsmaatregel (vgl. HR:2019:793). Ad 3. Redelijke uitleg van art. 532 Sv brengt mee dat bij begroting van daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vgl. HR:2019:793). O.g.v. art. 238 Rv komen reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking v.zv. in persoon (dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat)) wordt geprocedeerd. Procedeert b.p. met gemachtigde, dan komen slechts kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van gemachtigde voor vergoeding in aanmerking en dus niet ook in art. 238.1 Rv bedoelde kosten van b.p. Uit p-v van tz. in h.b. blijkt dat b.p. op tz. in h.b. is verschenen en werd bijgestaan door advocaat. Door b.p. gevorderde reiskosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. HR doet zaak zelf af en wijst door b.p. als reiskosten gevorderd bedrag van € 68,32 af.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2017:653 Hoge Raad 11-04-2017
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
Geciteerd door (20)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2535 Gerechtshof Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4368 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2025:8809 Rechtbank Gelderland 16-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:966 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:966 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:833 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:833 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3846 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13675 Rechtbank Den Haag 25-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3849 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3849 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3847 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3847 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3846 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4154 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4178 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-07-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4724 Rechtbank Amsterdam 08-07-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4724 Rechtbank Amsterdam 08-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:438 Parket bij de Hoge Raad 15-04-2025
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.179 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/05015
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 december 2023, nummer 20-000391-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Straten, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, de vordering af te wijzen voor wat betreft de gevorderde reiskosten van en naar de terechtzitting in hoger beroep, de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag € 3.213,23 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, de verdachte voor genoemd bedrag de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, van een bedrag van € 3.213,23, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen gijzeling, waarbij toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft, te bepalen dat, indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
De cassatiemiddelen komen met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 tot en met 4.
3Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep als rechtstreekse schade heeft toegewezen tot een bedrag van € 68,32 en ten aanzien van die kosten een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.
3.2
Het hof heeft de vordering van de [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 3.281,55. Het arrest van het hof houdt over de vordering van de benadeelde partij onder meer in:
“Vordering van de [benadeelde]
De [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente en heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Deze vordering bedraagt, na aanpassing in eerste aanleg en nadere invulling in hoger beroep, € 13.000,40 en is opgebouwd uit de navolgende posten:
(...)
4. Toekomstige kosten ad € 762,04
(...)
Ten aanzien van de post toekomstige kosten
De post toekomstige kosten bedraagt in totaal € 154,44 (de Hoge Raad begrijpt: € 762,04) en is als volgt opgebouwd:
(...)
2. Reiskosten zitting ad € 73,20;
(...)
Van de gevorderde reiskosten voor de zitting in hoger beroep is (244 x € 0,28) € 68,32 voor toewijzing vatbaar.
(...)
Gelet op het vorenstaande komt in totaal € 609,48 aan toekomstige schade, welke kosten inmiddels eind 2023 ook zijn gemaakt, als schade die rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal deze post dan ook tot dit bedrag toewijzen.
(...)
Conclusie
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.281,55 (bestaande uit € 138,15 aan ‘benzinekosten / reiskosten’, € 33,92 aan ‘eigen risico 2022’, € 609,48 aan ‘toekomstige kosten’ (die inmiddels eind 2023 ook zijn gemaakt), zijnde in totaal € 781,55 aan materiële schade, alsmede € 2.500,00 aan immateriële schade). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
(...)
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
(...)
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 3.281,55. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.”
3.3.1
Het hof heeft ten onrechte een bedrag van € 68,32 als schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij. Het gaat hier immers om reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep die de benadeelde partij heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waarover de rechter op grond van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing moet geven. (Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653.) Dit brengt mee dat deze kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in artikel 36f lid 1 van het Wetboek van Strafrecht voorziene schadevergoedingsmaatregel (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.7.2).
3.3.2
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
3.4
Het cassatiemiddel klaagt verder dat de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep ook niet als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de benadeelde partij in hoger beroep met een gemachtigde (advocaat) procedeerde.
3.5
Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.7.3). Op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) komen reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) – wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238 lid 1 Rv bedoelde kosten van de benadeelde partij.
3.6.1
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de benadeelde partij op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen en werd bijgestaan door een advocaat. Gelet op wat onder 3.5 is vooropgesteld, komen de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
3.6.2
Ook in zoverre is het cassatiemiddel terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en deze kosten afwijzen.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover in de tot een bedrag van € 3.281,55 toegewezen vordering van de [benadeelde] is begrepen een bedrag van € 68,32 voor “reiskosten voor de zitting in hoger beroep” en voor zover de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag is opgelegd;
- wijst dit door de benadeelde partij als reiskosten gevorderde bedrag van € 68,32 af;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.