Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:1779

2025-11-25 Strafrecht 23/03889
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-11-25
Publicatiedatum
2025-11-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
23/03889
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2025-0365 | RvdW 2026/31

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en gewoonteheling (art. 417 jo. 416.1.a Sr) door schadeauto’s te gebruiken om gestolen auto’s om te katten. Vrijspraak in eerste aanleg van impliciet cumulatief tlgd. feit (oplichting t.a.v. 1 auto en heling t.a.v. 2 voorwerpen). Bewijsklachten oplichting en heling. Kan uit bewijsvoering volgen dat verdachte t.t.v. voorhanden krijgen van auto wist dat deze was “omgekat” en daarmee van misdrijf afkomstig was en dat verdachte wetenschap had van de in auto gemonteerde gestolen onderdelen? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Uit gegeven dat verdachte relatief kort na diefstal besloot auto “om te (laten) katten” en deze vervolgens heeft verkocht, leidt hof af dat verdachte t.t.v. verkrijgen van auto wist dat deze afkomstig was uit enig misdrijf. Hof heeft kennelijk beredeneerd dat doel- en planmatig handelen van verdachte na verkrijging van auto, conclusie rechtvaardigt dat hij t.t.v. die verkrijging al op de hoogte was van criminele herkomst daarvan. Dat is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat verdachte ttz. in hoger beroep niet heeft verklaard dat wetenschap van herkomst uit misdrijf pas is ontstaan na verwerven of voorhanden krijgen van auto. Klacht dat hof niet heeft overwogen dat verdachte geen geloofwaardige hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor voorhanden hebben van goederen en op grond daarvan heeft aangenomen dat verdachte t.t.v. voorhanden krijgen van deze goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, berust derhalve op verkeerde lezing van arrest en mist hiermee feitelijke grondslag. Los van voorgaande is hof niet gehouden om uitblijven van verklaring van verdachte bij bewijs te betrekken. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03962 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.228 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 23/03889

Datum 25 november 2025



ARREST



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2023, nummer 22-000983-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2 en feit 3 primair.


2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.




3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



4Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.




5Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 22 maanden en 2 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.