Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1776
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1776 → ECLI:NL:GHDHA:2023:1044
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1776 → ECLI:NL:PHR:2025:827
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd) door als bestuurder en enig aandeelhouder van uitzendbureau gespecialiseerd in het uitlenen van arbeidskrachten in tuinbouw valse kwitanties en loonstroken op te maken en op te nemen in bedrijfsadministratie van vennootschap, waardoor tuinders door vennootschap minder betaald krijgen dan waar zij recht op hebben. Motivering schatting w.v.v. (art. 36e.3 Sr), vonnis Rb in strafzaak en financieel rapport als bewijsmiddelen in ontnemingszaak. Kon hof oordelen dat al het geld dat vennootschap heeft achtergehouden van werknemers, w.v.v. van betrokkene zelf betreft en dat daaraan niet afdoet dat door OM niet voor volledig bedrag als genoemd in financieel rapport is onderbouwd dat het daadwerkelijk door betrokkene genoten voordeel betreft? HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2026:228 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.996 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/02118 P
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2023, nummer 22-003573-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan door de Hoge Raad en tot verwerping voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 325.000.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 320.000 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.