Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:1553

2025-10-14 Strafrecht 22/04941
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-10-14
Publicatiedatum
2025-10-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
22/04941
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2025/1167

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling van medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr), door bestuurder opzettelijk openbaar maken van onware jaarstukken, meermalen gepleegd (art. 336 Sr) en (medeplegen) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr). 1. Kon hof oordelen dat verdachte eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM heeft gehad ondanks ontbrekende stukken in dossier? 2. Afwijzing van getuigenverzoeken o.g.v. noodzaakcriterium. 3. Bewijsklacht oplichting. Vindt ‘oogmerk om zich of ander wederrechtelijk te bevoordelen’ voldoende steun in bewijsvoering? 4. Bewijsklachten oplichting t.a.v. listige kunstgrepen en bewegen tot. Is sprake van ‘listige kunstgrepen’ en blijkt uit bewijsvoering dat A (voorzitter van raad van commissaris van energiebedrijf) door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ afgifte van gelden? 5. Bewijsklacht opzettelijk openbaar maken van onware jaarstukken. Kon hof oordelen dat A en B (bedrijf dat zorgt voor bouw en exploitatie van warmtekracht- en torrefactiecentrale) verbonden partijen waren? 6. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Kon hof oordelen dat verdachte in “Letters of Representation” ten onrechte niet heeft vermeld dat B en A verbonden ondernemingen waren? 7. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Heeft hof kunnen oordelen dat verdachte getekende offerte voor lening voor bedrag van 4,5 miljoen euro valselijk heeft opgemaakt? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04905, 22/04906 en 22/04942.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.605 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/04941

Datum 14 oktober 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2022, nummer 21-001064-18, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en acht maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.