Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:1

2025-01-07 Strafrecht 22/03799
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-01-07
Publicatiedatum
2024-12-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/03799
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2025-0005 | RvdW 2025/157

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Opzettelijk telen van hennep in woning (art. 3B Opiumwet), diefstal van elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr) en beschadigen en verijdelen van veiligheidsmaatregel van elektriciteitswerk, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was (art. 161bis.2 Sr). Bewijsklachten m.b.t. daderschap diefstal “d.m.v. verbreking” van elektriciteit buiten de meter om en m.b.t. daderschap beschadigen en verijdelen van veiligheidsmaatregel van elektriciteitsvoorziening in woning door aanbrengen van “illegale aansluiting”. HR: Om redenen vermeld in CAG is middel in zoverre terecht voorgesteld. CAG: Klacht over bewijs van strafverzwarende omstandigheid van bewezenverklaarde diefstal (verbreking van elektriciteitswerk) en bewijs van bewezenverklaarde beschadiging van elektriciteitswerk en verijdeling van ten opzichte daarvan genomen veiligheidsmaatregel, is terecht voorgesteld. Hof heeft hieromtrent niets vastgesteld, terwijl daderschap van verdachte in zoverre niet uit inhoud van gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat verdachte betrokken was bij opbouw van hennepkwekerij is immers (zoals Pr (in het door hof bevestigde vonnis) ook met zoveel woorden heeft overwogen) niet komen vast te staan. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (2.812 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/03799

Datum 7 januari 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2022, nummer 22-002596-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen onder 2 en 3 en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.


2.2
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13.


2.3
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).




3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2025.