Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:595
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:595 → ECLI:NL:PHR:2024:273
Inhoudsindicatie
Diefstal van geld met valse sleutel door huishoudelijke hulp bij bedlegerige vrouw door contant geld op te nemen en cadeaubonnen voor zichzelf te kopen met van vrouw verkregen bankpas en pincode, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Verweer dat verdachte toestemming had om zich geld toe te eigenen. 2. Strafoplegging, strafmaximum. Kon hof geldboete van € 30.000 opleggen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet gerechtigd was geld van bankrekening van vrouw te halen en zich toe te eigenen. In dat kader heeft hof geoordeeld dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan drie consistente verklaringen van vrouw daarover en dat er “geen begin van aannemelijkheid” is dat verdachte toestemming had voor toe-eigening van bedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie verder niet worden getoetst. Ook als verdachte toestemming zou hebben gehad voor het overboeken van geldbedrag van spaarrekening naar lopende rekening van vrouw, wil dat nog niet zeggen dat verdachte toestemming had zich bedrag vervolgens toe te eigenen. Ad 2. HR ambtshalve: O.g.v. art. 311.1.5 jo. 23.4 Sr kan voor bewezenverklaarde diefstal met valse sleutel een geldboete van ten hoogte € 20.750 worden opgelegd. Door hof opgelegde geldboete van € 30.000 is hoger dan dit strafmaximum. ’s Hofs arrest kan daarom wat betreft strafoplegging niet in stand blijven. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing. CAG gaat niet in op strafmaximum.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.930 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/00931
Datum 16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 maart 2022, nummer 22-003398-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal van geld met een valse sleutel. Het klaagt in het bijzonder over de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte toestemming had om zich het geld toe te eigenen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof en beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Op grond van artikel 311 lid 1, aanhef en onder 5°, in samenhang met artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, kan voor de door het hof bewezenverklaarde diefstal met een valse sleutel een geldboete van ten hoogste € 20.750 worden opgelegd. De door het hof opgelegde geldboete van € 30.000 is hoger dan dit strafmaximum. Het arrest van het hof kan daarom wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven.
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.