Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:511

2024-04-02 Strafrecht 22/00275
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-04-02
Publicatiedatum
2024-03-29
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/00275
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2024/427

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Ramkraak op kledingwinkel, art. 311.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v. aangetroffen DNA op bivakmuts en gebruik voor bewijs van getuigenverklaring. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft vastgesteld dat na ramkraak in winkel bivakmuts is aangetroffen met daarop DNA van (uitsluitend) verdachte, terwijl uit camerabeelden blijkt dat ten minste een van de daders t.t.v. ramkraak bivakmuts droeg. Hof heeft vervolgens bij bewijs betrokken dat verdachte in eerder stadium heeft aangegeven met verklaring te zullen komen over hoe bivakmuts in winkel is terechtgekomen maar dit uiteindelijk nooit meer heeft gedaan. Daarnaast past aantreffen van bivakmuts in winkel bij getuigenverklaring, inhoudende dat man die uit winkel kwam rennen géén bivakmuts op had. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat het (bij afwezigheid van (aannemelijke) verklaring van verdachte over hoe het anders zou zijn gegaan) niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte tijdens ramkraak ter plaatse is geweest en als medepleger van ramkraak kan worden aangemerkt, is geenszins onbegrijpelijk. In cassatie wordt niet beargumenteerd waarom ’s hofs verwerping van verweer dat door getuige opgegeven signalement niet overeenkomt met verdachte, tekort zou schieten. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.560 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/00275

Datum 2 april 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 januari 2022, nummer 20-001686-20, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd.


2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 10 december 2018 te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, tezamen en in vereniging met een ander uit een winkelpand aan de [a-straat 1] , diverse kledingstukken toebehorende aan [A] B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kleding onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”



2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof. Verder heeft het hof in zijn arrest een bewijsoverweging opgenomen zoals weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.3.


2.4
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.6 en 2.7.




3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden.




4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.