Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1683
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1683 → ECLI:NL:PHR:2024:986
Inhoudsindicatie
Medeplegen poging tot diefstal met braak (art. 311.1 Sr). 1. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting i.v.m. onrechtmatige staandehouding van verdachte en onrechtmatige doorzoeking van auto, art. 359a Sv. Was sprake van rechtmatige staandehouding en kon hof volstaan met constatering dat sprake was van onrechtmatige doorzoeking van auto waarin verdachte zich bevond? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 1 maand), verbeurdverklaring en toepassing van art. 33c.2 Sr. Heeft hof bij strafoplegging voldoende rekening gehouden met verbeurdverklaring van auto met waarde van € 13.289? 3. Verbeurdverklaring auto, art. 33a.1.c Sr. Kon hof oordelen dat bewezenverklaard feit is begaan met behulp van auto? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02393.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.584 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/02394
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022, nummer 21-003922-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van een maand, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.