Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1563
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1563 → ECLI:NL:GHSHE:2023:3064
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1563 → ECLI:NL:PHR:2024:941
Inhoudsindicatie
Verkrachting, art. 242 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaring van aangeefster, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer van verdediging niet aangemerkt als afzonderlijk uos over betrouwbaarheid van verklaring van aangeefster. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ook oordeel van hof dat WhatsApp-berichten van verdachte aan getuige voldoende steun bieden aan verklaring van aangeefster en dat dus geen sprake is van schending van art. 342.2 Sv, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2025:350 Parket bij de Hoge Raad 25-03-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (1.460 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/03737
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 september 2023, nummer 20-002905-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.L.A. Klaassen, advocaat in Vught, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen klagen over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.