Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1295
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1295 → ECLI:NL:GHSHE:2022:1263
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1295 → ECLI:NL:PHR:2024:624
Inhoudsindicatie
Als coffeeshophouder meer dan gedoogde hoeveelheid van 500 gram softdrugs (39 kilo softdrugs en ruim 19 kilo met shag verwerkte softdrugs) aanwezig hebben (meermalen gepleegd), art. 3C Opiumwet. 1. Kon hof volstaan met opgave bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359.3 Sv, nu verdediging in hoger beroep verweer heeft gevoerd over hoeveelheid drugs die verdachte aanwezig had? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk). Kon hof in nadeel van verdachte bij strafoplegging betrekken dat verdachte (indien gemeente aan hem in nabije toekomst weer vergunning voor exploiteren van coffeeshop zou verlenen) voornemens is om op dezelfde manier (in strijd met vergunningsvoorwaarden) handel te drijven? 3. Strafmotivering. Toepassing LOVS-oriëntatiepunten. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.014 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/01365
Datum 24 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2022, nummer 20-002066-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2024.