Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:283
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:283 → ECLI:NL:GHSHE:2021:3182
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:283 → ECLI:NL:PHR:2023:17
Inhoudsindicatie
Invoer van 222 kg hasjiesj (art. 3.A Opiumwet). 1. Bewijsklacht opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen. Wist verdachte dat door hem vervoerde boilers (met hasjiesj) uit buitenland afkomstig waren? 2. Bewijsklacht. Kon hof aannemen dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in bewezenverklaring opgenomen hoeveelheid hasjiesj binnen grondgebied van Nederland zou brengen, nu boilers zich op moment van ophalen al in Nederland bevonden? 3. Bewijsklacht. 4. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof bij strafoplegging (gevangenisstraf van 16 maanden) volstaan met strafvermindering van 2 maanden? 5. Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1., 2., 3. en 4. HR: art. 81.1 RO. Ad 5. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1438 Hoge Raad 21-10-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.237 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/01880
Datum 7 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2021, nummer 20-002504-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van één of meerdere van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2023.