Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1790
2023-12-22
Bestuursrecht; Belastingrecht
23/00645
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:1790 → ECLI:NL:GHARL:2023:355
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10, lid 8, Wet BPM 1992; bepalen van afschrijving met taxatiemethode; referentieauto met andere CO2-uitstoot; “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen”.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2022:640 Hoge Raad 20-05-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1714 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:355 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2023
- ECLI:NL:HR:2022:752 Hoge Raad 27-05-2022
Geciteerd door (20)
- ECLI:NL:PHR:2026:173 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:173 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7508 Rechtbank Gelderland 09-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7557 Rechtbank Gelderland 09-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7558 Rechtbank Gelderland 09-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1721 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1717 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1154 Rechtbank Gelderland 11-02-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:687 Rechtbank Gelderland 30-01-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:702 Rechtbank Gelderland 28-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8684 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:8300 Rechtbank Gelderland 26-11-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:8297 Rechtbank Gelderland 26-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3651 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5320 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5321 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4738 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3914 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1535 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-05-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-02-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (6.078 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00645
Datum 22 december 2023
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2023, nr. BK-ARN 21/01020, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/1897) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie is niet in geschil dat belanghebbende voor de onderhavige personenauto (hierna: de auto) de hoogte van de in artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2019; hierna: de Wet) bedoelde vermindering mag bepalen met behulp van de taxatiemethode als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet.
2.2.1
Voor het Hof was – voor zover in cassatie van belang – in geschil de hoogte van het in de slotalinea van artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde bedrag aan “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen”. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat dit bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) moet worden berekend op basis van de voor de auto vastgestelde CO2-uitstoot van 220 gram per kilometer. De Inspecteur was van mening dat dit bedrag aan bpm moet worden berekend op basis van een CO2-uitstoot van 132 gram per kilometer die geldt voor de zogenoemde referentieauto die is opgenomen in de koerslijst XRAY en die als uitgangspunt is gebruikt voor het bepalen van de taxatiewaarde van de auto.
2.2.2
Het Hof heeft dit geschil in het nadeel van belanghebbende beslecht. Om voor de auto het juiste afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet te kunnen vaststellen, heeft het Hof – met verwijzing naar rechtsoverweging 3.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 (hierna: het arrest van 20 mei 2022) – geoordeeld dat zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moet hebben op dezelfde referentieauto. Naar het oordeel van het Hof brengt dit “logischerwijs” mee dat de Inspecteur het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen” terecht heeft gebaseerd op de referentieauto die een CO2-uitstoot heeft van 132 gram per kilometer. Voor dit oordeel heeft het Hof verwezen naar rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 20 mei 2022. Dat de auto feitelijk meer CO2 uitstoot dan de referentieauto en dat dientengevolge een hoger bedrag aan bpm zou zijn verschuldigd ten tijde van de eerste ingebruikneming, is daarom niet van betekenis ter vaststelling van het afschrijvingspercentage van de auto, aldus het Hof.
2.3
De klachten, die zich richten tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, slagen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/03829, ECLI:NL:HR:2023:1714.
2.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.4.2
In cassatie is niet in geschil dat in 2019 de catalogusprijs van de auto € 52.470 bedroeg en dat in 2016 bij een CO2-uitstoot van 220 gram per kilometer de verschuldigde bpm € 29.899 is. De in de slotalinea van artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde som moet daarom worden gesteld op € 82.369. Rekening houdend met de in cassatie niet bestreden oordelen van het Hof over het bedrag van de taxatiewaarde (€ 18.635), het recht op een zogenoemde extra leeftijdskorting en het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan bpm, bedraagt de na heffen bpm € 3.606.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit (tekst vanaf 1 januari 2023).
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de naheffingsaanslag,
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.606,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2023.
ECLI:NL:GHARL:2023:355.
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00645
Datum 22 december 2023
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2023, nr. BK-ARN 21/01020, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/1897) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie is niet in geschil dat belanghebbende voor de onderhavige personenauto (hierna: de auto) de hoogte van de in artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2019; hierna: de Wet) bedoelde vermindering mag bepalen met behulp van de taxatiemethode als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet.
2.2.1
Voor het Hof was – voor zover in cassatie van belang – in geschil de hoogte van het in de slotalinea van artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde bedrag aan “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen”. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat dit bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) moet worden berekend op basis van de voor de auto vastgestelde CO2-uitstoot van 220 gram per kilometer. De Inspecteur was van mening dat dit bedrag aan bpm moet worden berekend op basis van een CO2-uitstoot van 132 gram per kilometer die geldt voor de zogenoemde referentieauto die is opgenomen in de koerslijst XRAY en die als uitgangspunt is gebruikt voor het bepalen van de taxatiewaarde van de auto.
2.2.2
Het Hof heeft dit geschil in het nadeel van belanghebbende beslecht. Om voor de auto het juiste afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet te kunnen vaststellen, heeft het Hof – met verwijzing naar rechtsoverweging 3.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 (hierna: het arrest van 20 mei 2022) – geoordeeld dat zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moet hebben op dezelfde referentieauto. Naar het oordeel van het Hof brengt dit “logischerwijs” mee dat de Inspecteur het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen” terecht heeft gebaseerd op de referentieauto die een CO2-uitstoot heeft van 132 gram per kilometer. Voor dit oordeel heeft het Hof verwezen naar rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 20 mei 2022. Dat de auto feitelijk meer CO2 uitstoot dan de referentieauto en dat dientengevolge een hoger bedrag aan bpm zou zijn verschuldigd ten tijde van de eerste ingebruikneming, is daarom niet van betekenis ter vaststelling van het afschrijvingspercentage van de auto, aldus het Hof.
2.3
De klachten, die zich richten tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, slagen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/03829, ECLI:NL:HR:2023:1714.
2.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.4.2
In cassatie is niet in geschil dat in 2019 de catalogusprijs van de auto € 52.470 bedroeg en dat in 2016 bij een CO2-uitstoot van 220 gram per kilometer de verschuldigde bpm € 29.899 is. De in de slotalinea van artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde som moet daarom worden gesteld op € 82.369. Rekening houdend met de in cassatie niet bestreden oordelen van het Hof over het bedrag van de taxatiewaarde (€ 18.635), het recht op een zogenoemde extra leeftijdskorting en het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan bpm, bedraagt de na heffen bpm € 3.606.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit (tekst vanaf 1 januari 2023).
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de naheffingsaanslag,
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.606,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2023.
ECLI:NL:GHARL:2023:355.
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.