Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1383
2023-10-06
Civiel recht
23/02385
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:1383 → ECLI:NL:PHR:2023:722 gevolgd
Inhoudsindicatie
Wvggz. Mondelinge behandeling. Art. 6:1 lid 1 Wvggz. Kon de rechtbank volstaan met oproeping op BRP-adres?
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2020:2016 Hoge Raad 11-12-2020
- ECLI:NL:HR:2020:2016 Hoge Raad 11-12-2020
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:PHR:2026:284 Parket bij de Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:119 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:40 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1331 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:315 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:392 Parket bij de Hoge Raad 28-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:712 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:712 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:712 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (5.072 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02385
Datum 6 oktober 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: R.P. Streng,
tegen
OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/553230 / FZ RK 23-169 van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2023.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden.
2.2
Bij het verzoekschrift zijn onder meer een zorgplan en een medische verklaring gevoegd. In het zorgplan is vermeld dat betrokkene geen vast woonadres heeft en dat haar verblijfadres de daklozenopvang aan de Neuweg 95 te Hilversum is (hierna: de daklozenopvang). In de medische verklaring is het adres van de daklozenopvang als verblijfadres van betrokkene ingevuld. Het verzoekschrift vermeldt het adres van betrokkene in de Basisregistratie Personen (hierna: het BRP-adres) en het vermeldt voorts dat betrokkene verblijft op het adres van de daklozenopvang.
2.3
De aangetekende brief waarmee betrokkene is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek is gericht aan het BRP-adres. Betrokkene is niet op de zitting verschenen. Uit de zittingsaantekeningen van de griffier blijkt dat de advocaat van betrokkene op de zitting heeft opgemerkt dat zij betrokkene niet heeft gesproken en dat de behandelaar heeft verklaard dat niet bekend is waar betrokkene momenteel verblijft.
2.4
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend. In de aanhef van de beschikking staat vermeld dat betrokkene woont op het BRP-adres en verblijft bij de Kwintes Crisisgroep te Hilversum.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt onder meer dat niet blijkt dat de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld of de oproep voor de mondelinge behandeling betrokkene heeft bereikt. Door de zorgmachtiging toch te verlenen heeft de rechtbank gehandeld in strijd met het voorschrift van art. 6:1 lid 1 Wvggz, aldus de klacht.
3.2
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat daarbij om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet zijn vrijheid kan worden ontnomen zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord.
3.3
Betrokkene is opgeroepen op haar BRP-adres, maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene een ander verblijfadres had. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van het tijdstip en de plaats van de mondelinge behandeling. De rechtbank had daarom alvorens op het verzoek te beslissen, moeten onderzoeken of betrokkene op andere wijze zou kunnen worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek. De rechtbank heeft er geen blijk van gegeven dit onderzoek te hebben verricht. De klacht slaagt dus.
3.4
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2023;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 6 oktober 2023.
HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.2.
Vgl. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.3.
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02385
Datum 6 oktober 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: R.P. Streng,
tegen
OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/553230 / FZ RK 23-169 van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2023.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden.
2.2
Bij het verzoekschrift zijn onder meer een zorgplan en een medische verklaring gevoegd. In het zorgplan is vermeld dat betrokkene geen vast woonadres heeft en dat haar verblijfadres de daklozenopvang aan de Neuweg 95 te Hilversum is (hierna: de daklozenopvang). In de medische verklaring is het adres van de daklozenopvang als verblijfadres van betrokkene ingevuld. Het verzoekschrift vermeldt het adres van betrokkene in de Basisregistratie Personen (hierna: het BRP-adres) en het vermeldt voorts dat betrokkene verblijft op het adres van de daklozenopvang.
2.3
De aangetekende brief waarmee betrokkene is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek is gericht aan het BRP-adres. Betrokkene is niet op de zitting verschenen. Uit de zittingsaantekeningen van de griffier blijkt dat de advocaat van betrokkene op de zitting heeft opgemerkt dat zij betrokkene niet heeft gesproken en dat de behandelaar heeft verklaard dat niet bekend is waar betrokkene momenteel verblijft.
2.4
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend. In de aanhef van de beschikking staat vermeld dat betrokkene woont op het BRP-adres en verblijft bij de Kwintes Crisisgroep te Hilversum.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt onder meer dat niet blijkt dat de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld of de oproep voor de mondelinge behandeling betrokkene heeft bereikt. Door de zorgmachtiging toch te verlenen heeft de rechtbank gehandeld in strijd met het voorschrift van art. 6:1 lid 1 Wvggz, aldus de klacht.
3.2
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat daarbij om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet zijn vrijheid kan worden ontnomen zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord.
3.3
Betrokkene is opgeroepen op haar BRP-adres, maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene een ander verblijfadres had. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van het tijdstip en de plaats van de mondelinge behandeling. De rechtbank had daarom alvorens op het verzoek te beslissen, moeten onderzoeken of betrokkene op andere wijze zou kunnen worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek. De rechtbank heeft er geen blijk van gegeven dit onderzoek te hebben verricht. De klacht slaagt dus.
3.4
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2023;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 6 oktober 2023.
HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.2.
Vgl. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.3.