Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1107
2023-08-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/00170
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:1107 → ECLI:NL:GHAMS:2021:4081
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:1107 → ECLI:NL:PHR:2022:873
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting; art. 7:4, leden 2 en 4, Awb; op de zaak betrekking hebbende stukken; recht op toezending in bezwaarfase?
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4081 Gerechtshof Amsterdam 07-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2022:873 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2022
- ECLI:NL:HR:2002:AE3833 Hoge Raad 07-06-2002
- ECLI:NL:HR:2020:1597 Hoge Raad 09-10-2020
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 Rechtbank Amsterdam 08-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:213 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:406 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3632 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1074 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12503 Rechtbank Rotterdam 15-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:11975 Rechtbank Rotterdam 08-10-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6403 Rechtbank Midden-Nederland 03-10-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5619 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5617 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5618 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:899 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1087 Gerechtshof Den Haag 01-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2779 Gerechtshof Den Haag 30-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:53 Gerechtshof Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:32 Gerechtshof Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:31 Gerechtshof Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:98 Gerechtshof Den Haag 09-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:163 Gerechtshof Den Haag 09-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7511 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7511 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3401 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:6686 Rechtbank Noord-Holland 28-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:6685 Rechtbank Noord-Holland 28-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6768 Rechtbank Den Haag 23-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6765 Rechtbank Den Haag 23-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6767 Rechtbank Den Haag 23-04-2024
- ECLI:NL:HR:2024:289 Hoge Raad 15-03-2024
- ECLI:NL:HR:2024:289 Hoge Raad 15-03-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1327 Gerechtshof Amsterdam 14-03-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:326 Centrale Raad van Beroep 01-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:12733 Rechtbank Rotterdam 28-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:12735 Rechtbank Rotterdam 28-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:12528 Rechtbank Rotterdam 20-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:12527 Rechtbank Rotterdam 20-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:12529 Rechtbank Rotterdam 20-12-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2549 Gerechtshof Den Haag 10-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2550 Gerechtshof Den Haag 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1064 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1064 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2083 Gerechtshof Den Haag 19-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10184 Rechtbank Rotterdam 09-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10183 Rechtbank Rotterdam 09-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7739 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7742 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.985 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00170
Datum 18 augustus 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTELVEEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00701, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/3221) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. de Jong, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 september 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. In zijn daartegen gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te sturen.
2.2
In dat bezwaarschrift heeft hij niet, althans niet met zoveel woorden, verzocht om te worden gehoord.
2.3
Naar aanleiding van het hiervoor in 2.1 genoemde verzoek heeft het Hof geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in algemene zin verplicht is om in de bezwaarfase de stukken van het geding aan de belanghebbende toe te sturen. In de bezwaarfase geldt naar het oordeel van het Hof ter zake van de op de zaak betrekking hebbende stukken slechts een (passief) inzagerecht, en wel in het kader van het hoorgesprek. Het Hof heeft in dit verband gewezen op artikel 7:4, lid 2, Awb, op grond waarvan het bestuursorgaan verplicht is het bezwaarschrift en verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen.
2.4
Het Hof is ervan uitgegaan dat de heffingsambtenaar niet was gehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het heeft overwogen dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift geen verzoek om te worden gehoord heeft opgenomen. Belanghebbendes betoog dat de heffingsambtenaar zou zijn gehouden zijn verzoek om toezending van de stukken van het geding op te vatten als een verzoek om te worden gehoord, is door het Hof verworpen. Het beroep dat belanghebbende in dit verband heeft gedaan op onderdeel 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is door het Hof eveneens verworpen, omdat dit besluit slechts verbindend is voor de Rijksbelastingdienst en niet voor gemeentelijke heffingsambtenaren.
3Beoordeling van de middelen
3.1
Middel II is gericht tegen het hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 5.32 tot en met 5.34 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.2
Middel I is gericht tegen het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof.
3.3
Bij de beoordeling van dit middel moet op grond van hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen ervan worden uitgegaan dat de heffingsambtenaar niet was gehouden om belanghebbende te horen. De stukken van het geding bevatten ook geen aanwijzing dat de heffingsambtenaar belanghebbende onverplicht heeft gehoord.
3.4
Dit brengt mee dat het Hof terecht heeft aangenomen dat de heffingsambtenaar niet verplicht was te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te sturen, in aanmerking genomen dat in deze zaak artikel 5:49 Awb niet van toepassing is omdat geen bestuurlijke boete is opgelegd. Doordat geen hoorzitting plaatsvond, en ook niet hoefde plaats te vinden, had belanghebbende geen recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 7:4, lid 2, Awb. Uit de parlementaire geschiedenis van het vierde lid van artikel 7:4 Awb blijkt dat het in die bepaling voorziene recht op afschrift van stukken, waarop belanghebbende zich beroept, in de wet is neergelegd in aansluiting op het inzagerecht. Hieruit moet worden afgeleid dat geen recht bestaat op afschrift van stukken op de voet van artikel 7:4, lid 4, Awb indien, zoals in dit geval, een hoorzitting in de bezwaarfase achterwege blijft en ook achterwege mocht blijven met als gevolg dat geen recht bestaat op inzage in stukken.
3.5
Het middel faalt daarom.
3.6
Ten overvloede merkt de Hoge Raad op dat de in artikel 7:4, lid 2, Awb bedoelde terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken ook langs elektronische weg kan plaatsvinden, in het bijzonder indien het gaat om in elektronische vorm vastgelegde gegevens. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door de belanghebbende langs elektronische weg toegang tot die bestanden te verlenen, bijvoorbeeld via een hiertoe ingericht webportaal. Het is aan het bestuursorgaan om een keuze te maken op welke van de verschillende mogelijke wijzen het in een concreet geval inzage in stukken verleent. Bij het maken van die keuze dient het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.Verder verdient opmerking dat een belanghebbende het bestuursorgaan niet kan tegenwerpen dat het de op de zaak betrekking hebbende stukken niet ter inzage heeft gelegd, indien dat orgaan hem – hoewel daartoe niet verplicht – tijdig voor de hoorzitting een kopie van die stukken heeft toegezonden, in papieren vorm dan wel langs digitale weg met inachtneming van het bepaalde in Afdeling 2.3 van de Awb. Met die toezending is immers reeds voldaan aan de strekking van het inzagerecht. Het in artikel 7:4, lid 2, Awb omschreven recht op inzage strekt namelijk ertoe te vermijden dat het bestuursorgaan zijn beslissing op bezwaar doet steunen op informatie die de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen.
3.7
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en C.J. Borman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2023.
ECLI:NL:GHAMS:2021:4081.
ECLI:NL:PHR:2022:873.
Vgl. de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, en het arrest HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3833, rechtsoverweging 3.1.
Zie de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Vgl. HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, rechtsoverweging 2.4.
Zie de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00170
Datum 18 augustus 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTELVEEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00701, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/3221) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. de Jong, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 september 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. In zijn daartegen gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te sturen.
2.2
In dat bezwaarschrift heeft hij niet, althans niet met zoveel woorden, verzocht om te worden gehoord.
2.3
Naar aanleiding van het hiervoor in 2.1 genoemde verzoek heeft het Hof geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in algemene zin verplicht is om in de bezwaarfase de stukken van het geding aan de belanghebbende toe te sturen. In de bezwaarfase geldt naar het oordeel van het Hof ter zake van de op de zaak betrekking hebbende stukken slechts een (passief) inzagerecht, en wel in het kader van het hoorgesprek. Het Hof heeft in dit verband gewezen op artikel 7:4, lid 2, Awb, op grond waarvan het bestuursorgaan verplicht is het bezwaarschrift en verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen.
2.4
Het Hof is ervan uitgegaan dat de heffingsambtenaar niet was gehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het heeft overwogen dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift geen verzoek om te worden gehoord heeft opgenomen. Belanghebbendes betoog dat de heffingsambtenaar zou zijn gehouden zijn verzoek om toezending van de stukken van het geding op te vatten als een verzoek om te worden gehoord, is door het Hof verworpen. Het beroep dat belanghebbende in dit verband heeft gedaan op onderdeel 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is door het Hof eveneens verworpen, omdat dit besluit slechts verbindend is voor de Rijksbelastingdienst en niet voor gemeentelijke heffingsambtenaren.
3Beoordeling van de middelen
3.1
Middel II is gericht tegen het hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 5.32 tot en met 5.34 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.2
Middel I is gericht tegen het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof.
3.3
Bij de beoordeling van dit middel moet op grond van hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen ervan worden uitgegaan dat de heffingsambtenaar niet was gehouden om belanghebbende te horen. De stukken van het geding bevatten ook geen aanwijzing dat de heffingsambtenaar belanghebbende onverplicht heeft gehoord.
3.4
Dit brengt mee dat het Hof terecht heeft aangenomen dat de heffingsambtenaar niet verplicht was te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te sturen, in aanmerking genomen dat in deze zaak artikel 5:49 Awb niet van toepassing is omdat geen bestuurlijke boete is opgelegd. Doordat geen hoorzitting plaatsvond, en ook niet hoefde plaats te vinden, had belanghebbende geen recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 7:4, lid 2, Awb. Uit de parlementaire geschiedenis van het vierde lid van artikel 7:4 Awb blijkt dat het in die bepaling voorziene recht op afschrift van stukken, waarop belanghebbende zich beroept, in de wet is neergelegd in aansluiting op het inzagerecht. Hieruit moet worden afgeleid dat geen recht bestaat op afschrift van stukken op de voet van artikel 7:4, lid 4, Awb indien, zoals in dit geval, een hoorzitting in de bezwaarfase achterwege blijft en ook achterwege mocht blijven met als gevolg dat geen recht bestaat op inzage in stukken.
3.5
Het middel faalt daarom.
3.6
Ten overvloede merkt de Hoge Raad op dat de in artikel 7:4, lid 2, Awb bedoelde terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken ook langs elektronische weg kan plaatsvinden, in het bijzonder indien het gaat om in elektronische vorm vastgelegde gegevens. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door de belanghebbende langs elektronische weg toegang tot die bestanden te verlenen, bijvoorbeeld via een hiertoe ingericht webportaal. Het is aan het bestuursorgaan om een keuze te maken op welke van de verschillende mogelijke wijzen het in een concreet geval inzage in stukken verleent. Bij het maken van die keuze dient het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.Verder verdient opmerking dat een belanghebbende het bestuursorgaan niet kan tegenwerpen dat het de op de zaak betrekking hebbende stukken niet ter inzage heeft gelegd, indien dat orgaan hem – hoewel daartoe niet verplicht – tijdig voor de hoorzitting een kopie van die stukken heeft toegezonden, in papieren vorm dan wel langs digitale weg met inachtneming van het bepaalde in Afdeling 2.3 van de Awb. Met die toezending is immers reeds voldaan aan de strekking van het inzagerecht. Het in artikel 7:4, lid 2, Awb omschreven recht op inzage strekt namelijk ertoe te vermijden dat het bestuursorgaan zijn beslissing op bezwaar doet steunen op informatie die de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen.
3.7
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en C.J. Borman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2023.
ECLI:NL:GHAMS:2021:4081.
ECLI:NL:PHR:2022:873.
Vgl. de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, en het arrest HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3833, rechtsoverweging 3.1.
Zie de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Vgl. HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, rechtsoverweging 2.4.
Zie de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.