Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2002:AE3833
2002-06-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
36801
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (37)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:213 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7971 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3401 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4112 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2083 Gerechtshof Den Haag 19-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7739 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7742 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1107 Hoge Raad 18-08-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:130 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:873 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:873 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:873 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:873 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2341 Gerechtshof Amsterdam 09-08-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2342 Gerechtshof Amsterdam 09-08-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1434 Gerechtshof Amsterdam 15-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1433 Gerechtshof Amsterdam 15-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:499 Gerechtshof Amsterdam 22-02-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11118 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11117 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:975 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-04-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:963 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:2274 Rechtbank Rotterdam 19-03-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:10572 Rechtbank Noord-Holland 21-12-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2483 Gerechtshof Den Haag 10-09-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:6417 Rechtbank Noord-Holland 30-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:451 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-02-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:88 Gerechtshof Amsterdam 15-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4618 Gerechtshof Amsterdam 31-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1051 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1008 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:492 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-02-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4293 Gerechtshof Amsterdam 01-09-2015
- ECLI:NL:RBZWB:2015:980 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-02-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:660 Parket bij de Hoge Raad 18-06-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (3.131 tekens)
Nr. 36.801
7 juni 2002
TVW
gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z tegen de uitspraken van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 november 2000, nr. BK-99/01448 en nr. BK-99/01449, betreffende na te melden aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1993 en 1994 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 923.954, respectievelijk f 4.387.022, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken bij afzonderlijke beroepschriften beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn door het Hof verworpen betoog dat geen sprake is van een eerlijk proces, nu de Inspecteur hem, althans zijn advocaat, inzage heeft geweigerd in zijn belastingdossier.
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van het recht te worden gehoord voordat over zijn bezwaarschrift zou worden beslist, waardoor hij zichzelf de mogelijkheid van inzage in het belastingdossier welke artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht biedt, heeft onthouden. Nu belanghebbende voorts in het geding voor het Hof bekend was met de bewijsvoering van de Inspecteur, maar uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat hij met betrekking tot concrete stellingen van de Inspecteur heeft aangevoerd dat deze voortvloeiden of zouden kunnen voortvloeien uit onrechtmatig verkregen bewijs, valt niet in te zien in welk opzicht aan belanghebbende een eerlijk proces zou zijn onthouden. De klacht faalt derhalve.
3.2. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de beroepen ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2002.
7 juni 2002
TVW
gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z tegen de uitspraken van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 november 2000, nr. BK-99/01448 en nr. BK-99/01449, betreffende na te melden aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1993 en 1994 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 923.954, respectievelijk f 4.387.022, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken bij afzonderlijke beroepschriften beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn door het Hof verworpen betoog dat geen sprake is van een eerlijk proces, nu de Inspecteur hem, althans zijn advocaat, inzage heeft geweigerd in zijn belastingdossier.
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van het recht te worden gehoord voordat over zijn bezwaarschrift zou worden beslist, waardoor hij zichzelf de mogelijkheid van inzage in het belastingdossier welke artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht biedt, heeft onthouden. Nu belanghebbende voorts in het geding voor het Hof bekend was met de bewijsvoering van de Inspecteur, maar uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat hij met betrekking tot concrete stellingen van de Inspecteur heeft aangevoerd dat deze voortvloeiden of zouden kunnen voortvloeien uit onrechtmatig verkregen bewijs, valt niet in te zien in welk opzicht aan belanghebbende een eerlijk proces zou zijn onthouden. De klacht faalt derhalve.
3.2. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de beroepen ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2002.