Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:989
2022-07-01
Civiel recht; Verbintenissenrecht
21/00812
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:989 → ECLI:NL:GHSHE:2020:3689 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:989 → ECLI:NL:PHR:2021:1254 contrair
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Aannemingsovereenkomst, meerwerk. Is voor toepassing tenzij-bepaling in art. 7:755 BW vereist dat opdrachtgever inzicht had in omvang van prijsverhoging dan wel (concreet) te verwachten meerkosten? Art. 7:752 BW in geval van meerwerk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3689 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-12-2020
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4565 Rechtbank Overijssel 14-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:560 Parket bij de Hoge Raad 05-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 Rechtbank Gelderland 15-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2415 Rechtbank Midden-Nederland 15-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:47 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1407 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9002 Rechtbank Rotterdam 18-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12218 Rechtbank Den Haag 10-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3324 Rechtbank Midden-Nederland 09-07-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3419 Rechtbank Oost-Brabant 11-06-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3419 Rechtbank Oost-Brabant 11-06-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:3283 Rechtbank Overijssel 21-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2745 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:985 Rechtbank Midden-Nederland 12-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4052 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6152 Rechtbank Midden-Nederland 13-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5456 Rechtbank Den Haag 17-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1328 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:2245 Rechtbank Amsterdam 22-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:170 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:10746 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4256 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1362 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:14206 Rechtbank Noord-Holland 25-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:73 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3938 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:3005 Rechtbank Overijssel 11-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3334 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-10-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3612 Rechtbank Midden-Nederland 07-09-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3612 Rechtbank Midden-Nederland 07-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7332 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-08-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3325 Rechtbank Midden-Nederland 17-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:695 Parket bij de Hoge Raad 15-07-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.427 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/00812
Datum 1 juli 2022
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V., tevens handelende onder de naam [handelsnaam] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
[verweerster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/03/236754 / HA ZA 17-313 van de rechtbank Limburg van 10 oktober 2018;
het arrest in de zaak 200.248.563/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2020.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.22. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.
(i) [eiseres] heeft in september 2016 aan [verweerster] mondeling de opdracht verstrekt om op basis van een offerte een aantal raatliggers te maken, waarbij partijen telefonisch een prijs van € 9.000,-- exclusief btw zijn overeengekomen.
(ii) In oktober 2016 heeft [eiseres] gegevens voor de raatliggers aan [verweerster] gezonden. [verweerster] heeft daarop geantwoord:
“(…) Is het de bedoeling dat wij de liggers compleet afmaken?Wij hebben alleen de opdracht voor het produceren van de liggers als raatligger en geen verdere bewerkingen.
Laat ons aub even iets weten?”
(iii) In een nadere e-mailwisseling in november 2016 heeft [verweerster] de detaillering van de raatliggers ontvangen van [eiseres].
(iv) De raatliggers zijn in november 2016 uitgeleverd aan [eiseres].
(v) Eind november 2016 heeft [verweerster] een factuur van € 9.000,-- exclusief btw aan [eiseres] gezonden voor de in de offerte opgenomen werkzaamheden, en vervolgens een tweede factuur van € 42.564,36 inclusief btw voor de, volgens haar, aanvullende werkzaamheden. De eerste factuur is door [eiseres] zonder protest voldaan, tegen de tweede heeft zij geprotesteerd.
(vi) In december 2016 heeft [eiseres] aan [verweerster] onder meer het volgende geschreven:
“(...) Al met al heb ik de liggers bekeken en wil ik er natuurlijk goed uitkomen met jullie. Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken. Echter vind ik de hoogte van de factuur die we nu hebben ontvangen ook nergens op slaan. (...)”
(vii) [eiseres] heeft de hiervoor onder (v) genoemde tweede factuur niet betaald.
2.2
[verweerster] vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 42.564,36 (de hiervoor in 2.1 onder (v) genoemde tweede factuur). De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
2.3
Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende overwogen.
De factuur van 29 november 2016 betreft een toevoeging en/of verandering in het in september 2016 overeengekomen werk als bedoeld in art. 7:755 BW en daarmee ‘meerwerk’. (rov. 3.11-3.12)
[verweerster] heeft [eiseres] niet gewezen op de noodzaak van een uit de gewenste toevoegingen en/of veranderingen voortvloeiende prijsverhoging (art. 7:755 BW). [eiseres] had echter in de gegeven omstandigheden de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen in de zin van die bepaling. Dat dit het geval was, blijkt ook uit de e-mail van 9 december 2016 van [eiseres] aan [verweerster]. Daarin heeft deze namelijk zelf geconstateerd: “(...) Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken. (...)”. (rov. 3.13)
[eiseres] heeft betwist dat sprake is van een redelijke prijs als bedoeld in art. 7:752 BW. Naar het oordeel van het hof is echter sprake van een redelijke prijs, die [eiseres] kon verwachten. (rov. 3.14)
3Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel a van het middel klaagt dat het hof in rov. 3.13 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 7:755 BW. Het hof heeft miskend dat voor de toepassing van de tenzij-bepaling in art. 7:755 BW niet voldoende is dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Daarvoor is ook vereist dat de opdrachtgever (een reëel) inzicht heeft in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten, aldus het onderdeel.
3.1.2
Art. 7:755, eerste zin, BW bepaalt dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
3.1.3
Bij de toepassing van de tenzij-bepaling in art. 7:755, eerste zin, BW (“tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen”) is niet van belang of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten. Art. 7:755 BW bepaalt immers alleen dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. De wetsgeschiedenis van deze bepaling biedt evenmin aanknopingspunten voor de door het onderdeel verdedigde uitleg. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd duidelijk te maken dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging impliceert. In dat opzicht heeft de wetgever de opdrachtgever bescherming willen bieden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de verdergaande bescherming die door het onderdeel wordt voorgestaan, is beoogd.
Het is aan de opdrachtgever om zich, nadat hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of indien hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, desgewenst te verstaan met de aannemer omtrent de omvang van de prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen.
3.1.4
Uit het hiervoor in 3.1.3 overwogene volgt dat het onderdeel faalt aangezien het berust op een onjuiste rechtsopvatting.
3.2.1
Onderdeel b klaagt dat het hof in rov. 3.14 heeft miskend dat indien sprake is van een door de opdrachtgever gewenste toevoeging of verandering in het overeengekomen werk als bedoeld in art. 7:755 BW, geen plaats is voor toepassing van art. 7:752 BW.
3.2.2
Art. 7:752 lid 1, eerste zin, BW bepaalt dat indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd.
3.2.3
In het geval dat de opdrachtgever toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wenst als bedoeld in art. 7:755 BW en hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, is – indien het bedrag van de verhoging niet is bepaald of daarvoor slechts een richtprijs is bepaald – art. 7:752 BW van toepassing. De opdrachtgever is in verband met de toevoegingen of veranderingen dan ingevolge deze bepaling een redelijke prijs verschuldigd.
3.2.4
Uit het hiervoor in 3.2.3 overwogene volgt dat het onderdeel faalt aangezien het berust op een onjuiste rechtsopvatting.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 juli 2022.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3689.
Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 23.
CIVIELE KAMER
Nummer 21/00812
Datum 1 juli 2022
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V., tevens handelende onder de naam [handelsnaam] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
[verweerster] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/03/236754 / HA ZA 17-313 van de rechtbank Limburg van 10 oktober 2018;
het arrest in de zaak 200.248.563/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2020.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.22. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.
(i) [eiseres] heeft in september 2016 aan [verweerster] mondeling de opdracht verstrekt om op basis van een offerte een aantal raatliggers te maken, waarbij partijen telefonisch een prijs van € 9.000,-- exclusief btw zijn overeengekomen.
(ii) In oktober 2016 heeft [eiseres] gegevens voor de raatliggers aan [verweerster] gezonden. [verweerster] heeft daarop geantwoord:
“(…) Is het de bedoeling dat wij de liggers compleet afmaken?Wij hebben alleen de opdracht voor het produceren van de liggers als raatligger en geen verdere bewerkingen.
Laat ons aub even iets weten?”
(iii) In een nadere e-mailwisseling in november 2016 heeft [verweerster] de detaillering van de raatliggers ontvangen van [eiseres].
(iv) De raatliggers zijn in november 2016 uitgeleverd aan [eiseres].
(v) Eind november 2016 heeft [verweerster] een factuur van € 9.000,-- exclusief btw aan [eiseres] gezonden voor de in de offerte opgenomen werkzaamheden, en vervolgens een tweede factuur van € 42.564,36 inclusief btw voor de, volgens haar, aanvullende werkzaamheden. De eerste factuur is door [eiseres] zonder protest voldaan, tegen de tweede heeft zij geprotesteerd.
(vi) In december 2016 heeft [eiseres] aan [verweerster] onder meer het volgende geschreven:
“(...) Al met al heb ik de liggers bekeken en wil ik er natuurlijk goed uitkomen met jullie. Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken. Echter vind ik de hoogte van de factuur die we nu hebben ontvangen ook nergens op slaan. (...)”
(vii) [eiseres] heeft de hiervoor onder (v) genoemde tweede factuur niet betaald.
2.2
[verweerster] vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 42.564,36 (de hiervoor in 2.1 onder (v) genoemde tweede factuur). De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
2.3
Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende overwogen.
De factuur van 29 november 2016 betreft een toevoeging en/of verandering in het in september 2016 overeengekomen werk als bedoeld in art. 7:755 BW en daarmee ‘meerwerk’. (rov. 3.11-3.12)
[verweerster] heeft [eiseres] niet gewezen op de noodzaak van een uit de gewenste toevoegingen en/of veranderingen voortvloeiende prijsverhoging (art. 7:755 BW). [eiseres] had echter in de gegeven omstandigheden de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen in de zin van die bepaling. Dat dit het geval was, blijkt ook uit de e-mail van 9 december 2016 van [eiseres] aan [verweerster]. Daarin heeft deze namelijk zelf geconstateerd: “(...) Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken. (...)”. (rov. 3.13)
[eiseres] heeft betwist dat sprake is van een redelijke prijs als bedoeld in art. 7:752 BW. Naar het oordeel van het hof is echter sprake van een redelijke prijs, die [eiseres] kon verwachten. (rov. 3.14)
3Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel a van het middel klaagt dat het hof in rov. 3.13 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 7:755 BW. Het hof heeft miskend dat voor de toepassing van de tenzij-bepaling in art. 7:755 BW niet voldoende is dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Daarvoor is ook vereist dat de opdrachtgever (een reëel) inzicht heeft in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten, aldus het onderdeel.
3.1.2
Art. 7:755, eerste zin, BW bepaalt dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
3.1.3
Bij de toepassing van de tenzij-bepaling in art. 7:755, eerste zin, BW (“tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen”) is niet van belang of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten. Art. 7:755 BW bepaalt immers alleen dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. De wetsgeschiedenis van deze bepaling biedt evenmin aanknopingspunten voor de door het onderdeel verdedigde uitleg. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd duidelijk te maken dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging impliceert. In dat opzicht heeft de wetgever de opdrachtgever bescherming willen bieden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de verdergaande bescherming die door het onderdeel wordt voorgestaan, is beoogd.
Het is aan de opdrachtgever om zich, nadat hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of indien hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, desgewenst te verstaan met de aannemer omtrent de omvang van de prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen.
3.1.4
Uit het hiervoor in 3.1.3 overwogene volgt dat het onderdeel faalt aangezien het berust op een onjuiste rechtsopvatting.
3.2.1
Onderdeel b klaagt dat het hof in rov. 3.14 heeft miskend dat indien sprake is van een door de opdrachtgever gewenste toevoeging of verandering in het overeengekomen werk als bedoeld in art. 7:755 BW, geen plaats is voor toepassing van art. 7:752 BW.
3.2.2
Art. 7:752 lid 1, eerste zin, BW bepaalt dat indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd.
3.2.3
In het geval dat de opdrachtgever toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wenst als bedoeld in art. 7:755 BW en hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, is – indien het bedrag van de verhoging niet is bepaald of daarvoor slechts een richtprijs is bepaald – art. 7:752 BW van toepassing. De opdrachtgever is in verband met de toevoegingen of veranderingen dan ingevolge deze bepaling een redelijke prijs verschuldigd.
3.2.4
Uit het hiervoor in 3.2.3 overwogene volgt dat het onderdeel faalt aangezien het berust op een onjuiste rechtsopvatting.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 juli 2022.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3689.
Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 23.