Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:720
2022-05-20
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/04407
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:720 → ECLI:NL:GHDHA:2021:1875
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:720 → ECLI:NL:PHR:2022:180
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:720 → ECLI:NL:PHR:2022:293
Inhoudsindicatie
Heffing in box 3 voor de jaren 2015-2016 en 2017-2018; ambtshalve vermindering; artikel 9.6 Wet IB 2001; nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling IB 2001.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2021:1963 Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1875 Gerechtshof Den Haag 06-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2022:180 Parket bij de Hoge Raad 24-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:293 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2022
- ECLI:NL:HR:2021:1047 Hoge Raad 02-07-2021
Geciteerd door (79)
- ECLI:NL:HR:2026:907 Hoge Raad 25-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:907 Hoge Raad 25-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1895 Gerechtshof Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1895 Gerechtshof Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:456 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:457 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:463 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:463 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:463 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2986 Rechtbank Gelderland 15-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2641 Rechtbank Gelderland 08-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:495 Hoge Raad 27-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:345 Gerechtshof Den Haag 03-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:187 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:187 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1215 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7686 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-11-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:11834 Rechtbank Noord-Holland 14-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4557 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11718 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11718 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9750 Rechtbank Den Haag 03-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2955 Rechtbank Amsterdam 11-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:714 Gerechtshof Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:152 Gerechtshof Den Haag 15-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:161 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-01-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2024:9107 Rechtbank Gelderland 18-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7353 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7667 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7666 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3396 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7338 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7338 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1185 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5333 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2526 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:851 Gerechtshof Den Haag 29-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:540 Parket bij de Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2723 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1988 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:538 Rechtbank Limburg 06-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:102 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:102 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8624 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7476 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7476 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-10-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:4154 Rechtbank Noord-Nederland 10-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2217 Gerechtshof Den Haag 04-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2217 Gerechtshof Den Haag 04-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3027 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-09-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.008 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04407
Datum 20 mei 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2021, nrs. BK-20/00719 tot en met BK-20/00722, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/7840, SGR 19/7842, SGR 20/957 en SGR 20/958) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 februari 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie voor zover dat de jaren 2015 en 2016 betreft, en tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie voor zover het ziet op de jaren 2017 en 2018.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 maart 2022 aanvullend geconcludeerd.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de aanvullende conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd voor de jaren 2015 tot en met 2018, waarin onder meer het voordeel uit sparen en beleggen (hierna: box 3) is belast.
2.2
Belanghebbende heeft tegen die aanslagen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaarschriften aangemerkt als verzoeken tot ambtshalve vermindering (artikel 9.6 Wet IB 2001) en die verzoeken afgewezen.
2.3
Het Hof heeft geoordeeld dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd is met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), maar daaraan geen gevolgen verbonden. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende door de box 3-heffing in deze jaren niet is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.
3Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten
3.1
De klachten komen erop neer dat gevolgen moeten worden verbonden aan de constatering van het Hof dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd is met het EVRM, wat de jaren 2015 en 2016 betreft met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het EVRM, en wat de jaren 2017 en 2018 betreft met artikel 14 EVRM.
3.2
In het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het systeem van box 3 zoals dat geldt vanaf het jaar 2017 voor degene die door dit stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, leidt tot een schending van zijn door artikel 1 EP en artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten, en dat voor die schending rechtsherstel moet worden geboden aan degene die tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag waarbij dat voordeel uit sparen en beleggen is vastgesteld.
3.3
In deze zaak moet de vraag worden beantwoord of het in het arrest van 24 december 2021 bedoelde rechtsherstel ook moet worden geboden aan degene die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar wiens bezwaren zijn aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag in de IB/PVV waarbij ter zake van box 3 belasting is geheven.
3.4
Bij het beantwoorden van die vraag stelt de Hoge Raad voorop dat het in het arrest van 24 december 2021 gegeven oordeel alleen betrekking heeft op de heffing in box 3 vanaf het jaar 2017. Ten aanzien van de heffing in box 3 over daaraan voorafgaande jaren, handhaaft de Hoge Raad zijn voordien gevormde rechtspraak. Die komt erop neer dat voor zover de heffing in box 3 volgens het toenmalige stelsel een inbreuk op artikel 1 EP oplevert, de rechter alleen rechtsherstel kan bieden voor zover aannemelijk is dat de heffing voor de belastingplichtige een individuele en buitensporige last oplevert.Reeds daarom falen de klachten voor zover zij ertoe strekken dat belanghebbende met betrekking tot de box 3-heffing over de jaren 2015 en 2016 rechtsherstel moet worden geboden in die zin dat de heffing in overeenstemming moet worden gebracht met hetgeen belanghebbende aanmerkt als zijn in die jaren werkelijk genoten voordeel uit sparen en beleggen.
3.5.1
Met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.5.2
Artikel 9.6 Wet IB 2001 bepaalt dat ambtshalve vermindering uitsluitend geschiedt op de voet van dit artikel en in bij Ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. In artikel 45aa, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is bepaald dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend indien de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald.
3.5.3
Belanghebbende baseert zijn standpunt dat de aan hem opgelegde aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 onjuist zijn, op de stelling dat in box 3 belasting wordt geheven over een hoger bedrag dan het werkelijk door hem behaalde rendement. Dat voor die jaren rechtsherstel moet worden geboden aan degene die wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement, volgt uit het arrest van 24 december 2021. Toen waren de aan belanghebbende opgelegde aanslagen reeds onherroepelijk geworden; de mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontnam aan die aanslagen niet het definitieve karakter. De gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt dus uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling. De Minister van Financiën heeft na het arrest van 24 december 2021 niet bekend gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kan worden afgewekenvan de in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarde. Het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering van de voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV is verleend, wordt dus tevergeefs bestreden.
3.6
De klachten falen ook voor zover zij zich keren tegen het oordeel dat de hiervoor in 2.1 genoemde belastingaanslagen belanghebbende niet hebben geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.7
De slotsom is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
4. Beoordeling van de in het (voorwaardelijk) incidentele beroep in cassatie aangevoerde klachten
Aangezien het principale beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt daarom het incidentele beroep.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2022.
ECLI:NL:GHDHA:2021:1875.
ECLI:NL:PHR:2022:180.
ECLI:NL:PHR:2022:293.
Vgl. HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04407
Datum 20 mei 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2021, nrs. BK-20/00719 tot en met BK-20/00722, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/7840, SGR 19/7842, SGR 20/957 en SGR 20/958) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 februari 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie voor zover dat de jaren 2015 en 2016 betreft, en tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie voor zover het ziet op de jaren 2017 en 2018.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 maart 2022 aanvullend geconcludeerd.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de aanvullende conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd voor de jaren 2015 tot en met 2018, waarin onder meer het voordeel uit sparen en beleggen (hierna: box 3) is belast.
2.2
Belanghebbende heeft tegen die aanslagen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaarschriften aangemerkt als verzoeken tot ambtshalve vermindering (artikel 9.6 Wet IB 2001) en die verzoeken afgewezen.
2.3
Het Hof heeft geoordeeld dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd is met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), maar daaraan geen gevolgen verbonden. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende door de box 3-heffing in deze jaren niet is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.
3Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten
3.1
De klachten komen erop neer dat gevolgen moeten worden verbonden aan de constatering van het Hof dat de box 3-heffing voor alle jaren op stelselniveau in strijd is met het EVRM, wat de jaren 2015 en 2016 betreft met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het EVRM, en wat de jaren 2017 en 2018 betreft met artikel 14 EVRM.
3.2
In het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het systeem van box 3 zoals dat geldt vanaf het jaar 2017 voor degene die door dit stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, leidt tot een schending van zijn door artikel 1 EP en artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten, en dat voor die schending rechtsherstel moet worden geboden aan degene die tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag waarbij dat voordeel uit sparen en beleggen is vastgesteld.
3.3
In deze zaak moet de vraag worden beantwoord of het in het arrest van 24 december 2021 bedoelde rechtsherstel ook moet worden geboden aan degene die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar wiens bezwaren zijn aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag in de IB/PVV waarbij ter zake van box 3 belasting is geheven.
3.4
Bij het beantwoorden van die vraag stelt de Hoge Raad voorop dat het in het arrest van 24 december 2021 gegeven oordeel alleen betrekking heeft op de heffing in box 3 vanaf het jaar 2017. Ten aanzien van de heffing in box 3 over daaraan voorafgaande jaren, handhaaft de Hoge Raad zijn voordien gevormde rechtspraak. Die komt erop neer dat voor zover de heffing in box 3 volgens het toenmalige stelsel een inbreuk op artikel 1 EP oplevert, de rechter alleen rechtsherstel kan bieden voor zover aannemelijk is dat de heffing voor de belastingplichtige een individuele en buitensporige last oplevert.Reeds daarom falen de klachten voor zover zij ertoe strekken dat belanghebbende met betrekking tot de box 3-heffing over de jaren 2015 en 2016 rechtsherstel moet worden geboden in die zin dat de heffing in overeenstemming moet worden gebracht met hetgeen belanghebbende aanmerkt als zijn in die jaren werkelijk genoten voordeel uit sparen en beleggen.
3.5.1
Met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.5.2
Artikel 9.6 Wet IB 2001 bepaalt dat ambtshalve vermindering uitsluitend geschiedt op de voet van dit artikel en in bij Ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. In artikel 45aa, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is bepaald dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend indien de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald.
3.5.3
Belanghebbende baseert zijn standpunt dat de aan hem opgelegde aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 onjuist zijn, op de stelling dat in box 3 belasting wordt geheven over een hoger bedrag dan het werkelijk door hem behaalde rendement. Dat voor die jaren rechtsherstel moet worden geboden aan degene die wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk door de belastingplichtige behaalde rendement, volgt uit het arrest van 24 december 2021. Toen waren de aan belanghebbende opgelegde aanslagen reeds onherroepelijk geworden; de mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontnam aan die aanslagen niet het definitieve karakter. De gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt dus uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling. De Minister van Financiën heeft na het arrest van 24 december 2021 niet bekend gemaakt dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen kan worden afgewekenvan de in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarde. Het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering van de voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV is verleend, wordt dus tevergeefs bestreden.
3.6
De klachten falen ook voor zover zij zich keren tegen het oordeel dat de hiervoor in 2.1 genoemde belastingaanslagen belanghebbende niet hebben geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.7
De slotsom is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
4. Beoordeling van de in het (voorwaardelijk) incidentele beroep in cassatie aangevoerde klachten
Aangezien het principale beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt daarom het incidentele beroep.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2022.
ECLI:NL:GHDHA:2021:1875.
ECLI:NL:PHR:2022:180.
ECLI:NL:PHR:2022:293.
Vgl. HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.