Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:694
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:694 → ECLI:NL:PHR:2022:266
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op auto onder klaagster t.z.v. verdenking hennepteelt en diefstal elektriciteit. Was de (tweede) inbeslagneming van de auto onrechtmatig? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: De opvatting dat een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag niet voor een tweede keer op hetzelfde voorwerp kan worden gelegd, vindt in het algemeen geen steun in het recht. Het recht vereist evenmin dat RC bij tijdsverloop een gegeven machtiging tussentijds toetst, alvorens OvJ tot het leggen van beslag mag overgaan. Het beslag o.g.v. art. 94a Sv strekt tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen geldboete van de vijfde categorie of tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van w.v.v.. De gegeven machtiging strekte in dit geval tot het veiligstellen van vermogen van klaagster tot € 1.121.989,44. De aard van het conservatoire beslag brengt mee dat tot dat bedrag op verschillende vermogensvoorwerpen van klaagster beslag kon worden gelegd. Zodra auto vrij was van het eerste beslag en door de aankoop weer toebehoorde aan klaagster, kon hierop dus wederom conservatoir beslag worden gelegd o.g.v. dezelfde machtiging. Kennelijk oordeel Rb dat de tweede beslaglegging onrechtmatig was, is dus onjuist. Rb is daardoor klaarblijkelijk ook niet toegekomen aan de toetsing van de maatstaf of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, een geldboete of een ontnemingsmaatregel aan klaagster zal opleggen. Onduidelijk blijft ook wat Rb heeft bedoeld met haar overweging dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van auto verzet, nu dit enkel bij beslag ex art. 94 Sv aan de orde is. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2022:1147 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.141 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/04068 B
Datum 17 mei 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 juli 2021, nummer RK 21/1143, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klaagster.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de gegrondverklaring van het beklag tegen het op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering onder de klaagster gelegde beslag op een auto. Het klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de tweede inbeslagneming van die auto onrechtmatig was.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.5 tot en met 4.7.
3Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2022.