Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:664
2022-04-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/03975
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:664 → ECLI:NL:GHARL:2021:7705
Inhoudsindicatie
Artikel 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ; artikel 17 Wet WOZ; waardebepaling woning door middel van vergelijkingsmethode; referentieobjecten met een extreem lage verkoopprijs en daardoor veel lagere waarde per m3 dan overige objecten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7705 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-08-2021
Geciteerd door (29)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6952 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6955 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3123 Rechtbank Midden-Nederland 20-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3661 Rechtbank Midden-Nederland 19-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3914 Rechtbank Midden-Nederland 13-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3117 Rechtbank Midden-Nederland 27-03-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:755 Rechtbank Noord-Nederland 10-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1215 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:1565 Rechtbank Oost-Brabant 20-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:350 Rechtbank Rotterdam 13-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2283 Gerechtshof Amsterdam 30-07-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2491 Rechtbank Rotterdam 22-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:11531 Rechtbank Rotterdam 15-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:11530 Rechtbank Rotterdam 15-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:12386 Rechtbank Rotterdam 15-11-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:5306 Rechtbank Oost-Brabant 09-11-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:5306 Rechtbank Oost-Brabant 09-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2140 Gerechtshof Den Haag 24-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7872 Rechtbank Rotterdam 24-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5079 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11292 Rechtbank Den Haag 18-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6770 Rechtbank Noord-Holland 18-07-2023
- ECLI:NL:RBROT:2022:7884 Rechtbank Rotterdam 09-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5004 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-08-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:4771 Rechtbank Midden-Nederland 29-07-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:4776 Rechtbank Midden-Nederland 29-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6283 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-07-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:2290 Rechtbank Oost-Brabant 10-06-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:2288 Rechtbank Oost-Brabant 10-06-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (7.530 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/03975
Datum 29 april 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HILVERSUM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2021, nr. 20/00833, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 19/4557) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2019 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2018 voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 449.000.
3Beoordeling van de middelen
3.1
Bij het Hof was in geschil of de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2
De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde heeft belanghebbende onder meer bestreden aan de hand van een door hem overgelegde waardematrix met drie referentieobjecten, aan dezelfde weg gelegen twee-onder-één-kap woningen zoals de onroerende zaak.
3.3
De heffingsambtenaar heeft (reeds in beroep) een door zijn taxateur opgestelde matrix overgelegd met vijf referentieobjecten, eveneens twee-onder-één-kap woningen die aan dezelfde weg zijn gelegen. Twee van die woningen staan ook op de in hoger beroep door belanghebbende overgelegde matrix.
3.4
Belanghebbende heeft betoogd dat de overige drie woningen in de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix als referentieobject ongeschikt zijn, en dat de woning met huisnummer [2], die wel in de door belanghebbende overgelegde matrix maar niet in de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix is vermeld, als referentieobject moet dienen.
3.5
In de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix zijn de verkoopprijzen van de referentieobjecten herleid tot prijzen per m3 die uiteenlopen van € 426 tot € 512. Daaruit heeft de heffingsambtenaar een waarde per m3 voor de onroerende zaak afgeleid van € 456. Uit de prijs die in 2018 is betaald voor het alleen door belanghebbende opgevoerde referentieobject met huisnummer [2] heeft de heffingsambtenaar een prijs per m3 van € 279 afgeleid.
3.6
Het Hof heeft de heffingsambtenaar gevolgd in diens standpunt dat de voor huisnummer [2] berekende prijs per m3 “zozeer afwijkt van de andere gecorrigeerde prijzen per m3 dat die lage transactieprijs, zonder opgaaf van reden waarom die prijs zo laag is, buiten beschouwing moet blijven.”
3.7
Het tweede middel is tegen dit oordeel gericht.
3.8
Het in hoger beroep overgelegde verweerschrift van de heffingsambtenaar houdt ten aanzien van de woning met huisnummer [2] in dat belanghebbende voorbij ging aan hetgeen de heffingsambtenaar met betrekking tot die woning had gesteld. Klaarblijkelijk doelde de heffingsambtenaar daarbij op zijn bij de Rechtbank betrokken stelling dat de woning met huisnummer [2] ‘echt een woning (is) waar van alles aan mankeerde’ en dat er allerlei aanpassingen voor een gehandicapte persoon waren. Belanghebbende heeft dit in hoger beroep bestreden door erop te wijzen dat uit de door belanghebbende overgelegde verkoopinformatie blijkt dat de woning met huisnummer [2] was voorzien van isolatie, een cv-ketel van 2017 en een nieuw pannendak, en dat daaruit niet blijkt van aanpassingen voor de vorige (invalide) bewoner. Met betrekking tot deze woning heeft de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof onder meer verklaard dat hij heeft onderzocht of er bij de verkoop van de woning met huisnummer [2] sprake was geweest van een onzakelijke transactie, hetgeen niet het geval bleek te zijn, en dat hij niet heeft kunnen achterhalen waarom de transactieprijs afwijkt van andere verkoopcijfers.
3.9
Gelet op deze in hoger beroep betrokken stellingen is zonder nadere motivering niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat reeds het verschil tussen de door de heffingsambtenaar berekende prijs per m3 van de woning met huisnummer [2] en de prijzen per m3 die zijn vermeld in de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix, aanleiding is de door belanghebbende genoemde gegevens met betrekking tot de recente verkoop van die woning buiten beschouwing te laten. Het middel slaagt.
3.10
Het eerste middel kan niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.11
Hetgeen hiervoor in 3.9 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak met inachtneming van dit arrest.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 134, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.164 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2022.
ECLI:NL:GHARL:2021:7705.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/03975
Datum 29 april 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HILVERSUM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2021, nr. 20/00833, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 19/4557) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2019 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2018 voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 449.000.
3Beoordeling van de middelen
3.1
Bij het Hof was in geschil of de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2
De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde heeft belanghebbende onder meer bestreden aan de hand van een door hem overgelegde waardematrix met drie referentieobjecten, aan dezelfde weg gelegen twee-onder-één-kap woningen zoals de onroerende zaak.
3.3
De heffingsambtenaar heeft (reeds in beroep) een door zijn taxateur opgestelde matrix overgelegd met vijf referentieobjecten, eveneens twee-onder-één-kap woningen die aan dezelfde weg zijn gelegen. Twee van die woningen staan ook op de in hoger beroep door belanghebbende overgelegde matrix.
3.4
Belanghebbende heeft betoogd dat de overige drie woningen in de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix als referentieobject ongeschikt zijn, en dat de woning met huisnummer [2], die wel in de door belanghebbende overgelegde matrix maar niet in de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix is vermeld, als referentieobject moet dienen.
3.5
In de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix zijn de verkoopprijzen van de referentieobjecten herleid tot prijzen per m3 die uiteenlopen van € 426 tot € 512. Daaruit heeft de heffingsambtenaar een waarde per m3 voor de onroerende zaak afgeleid van € 456. Uit de prijs die in 2018 is betaald voor het alleen door belanghebbende opgevoerde referentieobject met huisnummer [2] heeft de heffingsambtenaar een prijs per m3 van € 279 afgeleid.
3.6
Het Hof heeft de heffingsambtenaar gevolgd in diens standpunt dat de voor huisnummer [2] berekende prijs per m3 “zozeer afwijkt van de andere gecorrigeerde prijzen per m3 dat die lage transactieprijs, zonder opgaaf van reden waarom die prijs zo laag is, buiten beschouwing moet blijven.”
3.7
Het tweede middel is tegen dit oordeel gericht.
3.8
Het in hoger beroep overgelegde verweerschrift van de heffingsambtenaar houdt ten aanzien van de woning met huisnummer [2] in dat belanghebbende voorbij ging aan hetgeen de heffingsambtenaar met betrekking tot die woning had gesteld. Klaarblijkelijk doelde de heffingsambtenaar daarbij op zijn bij de Rechtbank betrokken stelling dat de woning met huisnummer [2] ‘echt een woning (is) waar van alles aan mankeerde’ en dat er allerlei aanpassingen voor een gehandicapte persoon waren. Belanghebbende heeft dit in hoger beroep bestreden door erop te wijzen dat uit de door belanghebbende overgelegde verkoopinformatie blijkt dat de woning met huisnummer [2] was voorzien van isolatie, een cv-ketel van 2017 en een nieuw pannendak, en dat daaruit niet blijkt van aanpassingen voor de vorige (invalide) bewoner. Met betrekking tot deze woning heeft de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof onder meer verklaard dat hij heeft onderzocht of er bij de verkoop van de woning met huisnummer [2] sprake was geweest van een onzakelijke transactie, hetgeen niet het geval bleek te zijn, en dat hij niet heeft kunnen achterhalen waarom de transactieprijs afwijkt van andere verkoopcijfers.
3.9
Gelet op deze in hoger beroep betrokken stellingen is zonder nadere motivering niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat reeds het verschil tussen de door de heffingsambtenaar berekende prijs per m3 van de woning met huisnummer [2] en de prijzen per m3 die zijn vermeld in de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix, aanleiding is de door belanghebbende genoemde gegevens met betrekking tot de recente verkoop van die woning buiten beschouwing te laten. Het middel slaagt.
3.10
Het eerste middel kan niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.11
Hetgeen hiervoor in 3.9 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak met inachtneming van dit arrest.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 134, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.164 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2022.
ECLI:NL:GHARL:2021:7705.