Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:346
2022-03-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/00853
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:346 → ECLI:NL:GHARL:2021:759
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:346 → ECLI:NL:PHR:2021:1013
Inhoudsindicatie
Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet; een maximale parkeerduur; was belanghebbende gehouden voor de periode na ommekomst van de maximale parkeerduur parkeerbelasting op aangifte te voldoen?; artikel 20 AWR.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2022:156 Hoge Raad 11-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:759 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1013 Parket bij de Hoge Raad 28-10-2021
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:3985 Rechtbank Overijssel 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:3983 Rechtbank Overijssel 09-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-05-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1338 Gerechtshof Amsterdam 23-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:7600 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19691 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19820 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18791 Rechtbank Den Haag 30-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18788 Rechtbank Den Haag 30-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:801 Parket bij de Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:801 Parket bij de Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4371 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1199 Rechtbank Midden-Nederland 10-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:322 Gerechtshof Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:321 Gerechtshof Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:77 Gerechtshof Den Haag 15-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:76 Gerechtshof Den Haag 15-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2054 Gerechtshof Den Haag 30-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2054 Gerechtshof Den Haag 30-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1310 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1308 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1308 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1309 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1309 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1310 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4036 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-06-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:2898 Rechtbank Amsterdam 15-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5909 Rechtbank Den Haag 22-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5911 Rechtbank Den Haag 22-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:11923 Rechtbank Rotterdam 14-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19828 Rechtbank Den Haag 07-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10384 Rechtbank Rotterdam 25-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7737 Rechtbank Rotterdam 23-08-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:781 Gerechtshof Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:145 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:10310 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10316 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10318 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10305 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10307 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10308 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10309 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10317 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.256 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00853
Datum 11 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, nr. 19/01732, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 19/2089) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 28 oktober 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 2 februari 2019 stond op de Groest in Hilversum, een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College) aangewezen plaats waar met betaling van parkeerbelasting maximaal een uur mag worden geparkeerd. Op het in de naheffingsaanslag vermelde tijdstip stond de auto daar langer dan een uur.
2.2
De auto stond voor het overgrote deel binnen, en voor een klein deel buiten het daarvoor bestemde parkeervak, dat zich binnen vijf meter vanaf een kruising bevindt.
2.3.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2.3.2
Volgens het Hof was sprake van parkeren in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 2019 van de gemeente Hilversum (hierna: de Verordening) omdat de auto stond op een parkeerstrook die is aangewezen als parkeerplaats waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd, en belanghebbende zijn auto op zodanige wijze had geparkeerd dat andere weggebruikers van dit gedeelte van de aangewezen parkeerplaats geen gebruik meer konden maken.
2.3.3
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de overschrijding van de maximale parkeerduur van een uur niet betekent dat er geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Vast staat immers dat parkeerbelasting die op aangifte moest worden voldaan niet is betaald, aldus het Hof.
3Beoordeling van de middelen
3.1
Het eerste middel dat zich keert tegen het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof met de stelling dat de auto gedeeltelijk stond op een plaats waar dat verboden is, faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 20/03717, ECLI:NL:HR:2022:156, waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht.
3.2.1
Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor onder 2.3.3 weergeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat niet in geschil is dat voor het eerste uur parkeren parkeerbelasting was voldaan. Het middel betoogt voorts dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen sprake meer was van ‘parkeren’ van de auto in de zin van artikel 225, lid 1, Gemeentewet in samenhang met de Verordening omdat parkeren na het verstrijken van de maximum parkeerduur van een uur niet meer was toegestaan en het laten staan van de auto dus in strijd was met een wettelijk voorschrift.
3.2.2
Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet bepaalt dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
3.2.3
In dit geval heeft het College krachtens de Verordening bepaald dat op de Groest parkeren tegen betaling op aangifte is toegestaan voor een maximale parkeerduur van een uur. Daarvan uitgaande moest belanghebbende voor het eerste uur parkeren op de Groest parkeerbelasting op aangifte voldoen. Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen.
3.2.4
Het Hof heeft aan zijn in 2.3.3 weergegeven oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd ten grondslag gelegd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald. Indien het Hof daarmee heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende in het geheel geen parkeerbelasting heeft voldaan, dus ook niet voor het eerste uur, is die vaststelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof dat belanghebbende voor een uur had betaald. Indien het Hof heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende geen parkeerbelasting had betaald voor de periode na afloop van dat eerste uur, getuigt het daarop volgende oordeel dat die parkeerbelasting terecht is nageheven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in 3.2.3 is overwogen was belanghebbende niet gehouden voor de periode na ommekomst van het eerste uur parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Naheffing van parkeerbelasting voor die periode is dan niet mogelijk omdat artikel 20 AWR de mogelijkheid tot naheffing beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald.
3.3
Het tweede middel slaagt. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.2.4 kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. .
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin de uitspraak van de Rechtbank is bevestigd,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 134, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.847 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.
ECLI:NL:GHARL:2021:759.
ECLI:NL:PHR:2021:1013.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00853
Datum 11 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, nr. 19/01732, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 19/2089) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 28 oktober 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 2 februari 2019 stond op de Groest in Hilversum, een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College) aangewezen plaats waar met betaling van parkeerbelasting maximaal een uur mag worden geparkeerd. Op het in de naheffingsaanslag vermelde tijdstip stond de auto daar langer dan een uur.
2.2
De auto stond voor het overgrote deel binnen, en voor een klein deel buiten het daarvoor bestemde parkeervak, dat zich binnen vijf meter vanaf een kruising bevindt.
2.3.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2.3.2
Volgens het Hof was sprake van parkeren in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 2019 van de gemeente Hilversum (hierna: de Verordening) omdat de auto stond op een parkeerstrook die is aangewezen als parkeerplaats waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd, en belanghebbende zijn auto op zodanige wijze had geparkeerd dat andere weggebruikers van dit gedeelte van de aangewezen parkeerplaats geen gebruik meer konden maken.
2.3.3
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de overschrijding van de maximale parkeerduur van een uur niet betekent dat er geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Vast staat immers dat parkeerbelasting die op aangifte moest worden voldaan niet is betaald, aldus het Hof.
3Beoordeling van de middelen
3.1
Het eerste middel dat zich keert tegen het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof met de stelling dat de auto gedeeltelijk stond op een plaats waar dat verboden is, faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 20/03717, ECLI:NL:HR:2022:156, waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht.
3.2.1
Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor onder 2.3.3 weergeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat niet in geschil is dat voor het eerste uur parkeren parkeerbelasting was voldaan. Het middel betoogt voorts dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen sprake meer was van ‘parkeren’ van de auto in de zin van artikel 225, lid 1, Gemeentewet in samenhang met de Verordening omdat parkeren na het verstrijken van de maximum parkeerduur van een uur niet meer was toegestaan en het laten staan van de auto dus in strijd was met een wettelijk voorschrift.
3.2.2
Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet bepaalt dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
3.2.3
In dit geval heeft het College krachtens de Verordening bepaald dat op de Groest parkeren tegen betaling op aangifte is toegestaan voor een maximale parkeerduur van een uur. Daarvan uitgaande moest belanghebbende voor het eerste uur parkeren op de Groest parkeerbelasting op aangifte voldoen. Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen.
3.2.4
Het Hof heeft aan zijn in 2.3.3 weergegeven oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd ten grondslag gelegd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald. Indien het Hof daarmee heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende in het geheel geen parkeerbelasting heeft voldaan, dus ook niet voor het eerste uur, is die vaststelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof dat belanghebbende voor een uur had betaald. Indien het Hof heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende geen parkeerbelasting had betaald voor de periode na afloop van dat eerste uur, getuigt het daarop volgende oordeel dat die parkeerbelasting terecht is nageheven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in 3.2.3 is overwogen was belanghebbende niet gehouden voor de periode na ommekomst van het eerste uur parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Naheffing van parkeerbelasting voor die periode is dan niet mogelijk omdat artikel 20 AWR de mogelijkheid tot naheffing beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald.
3.3
Het tweede middel slaagt. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.2.4 kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. .
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin de uitspraak van de Rechtbank is bevestigd,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 134, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.847 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.
ECLI:NL:GHARL:2021:759.
ECLI:NL:PHR:2021:1013.