Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:280
2022-02-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
20/04119
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:280 → ECLI:NL:GHARL:2020:8253 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:280 → ECLI:NL:PHR:2021:828 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Pachtrecht. Schending onderhoudsverplichtingen door pachter. Door de rechter verleende terme de grâce om alsnog aan onderhoudsverplichting te voldoen (art. 7:376 lid 2 BW). Kan de rechter vordering tot ontbinding pachtovereenkomst afwijzen op de grond dat de na het verstrijken van de terme de grâce nog resterende tekortkoming ontbinding niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW)?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2023:458 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:458 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.091 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/04119
Datum 18 februari 2022
ARREST
In de zaak van
[verpachter],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [verpachter],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[pachter],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [pachter],
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 4537277/15-6539 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2016, 24 juni 2016 en 25 november 2016 ;
de arresten in de zaak 200.207.676 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, 5 juni 2018, 26 november 2019 en 13 oktober 2020.
[verpachter] heeft tegen het arrest van het hof van 13 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[pachter] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verpachter] mede door J.M. Moorman en A.C. Tjepkema.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaat van [verpachter] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [verpachter] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [pachter] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verpachter] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 18 februari 2022.
CIVIELE KAMER
Nummer 20/04119
Datum 18 februari 2022
ARREST
In de zaak van
[verpachter],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [verpachter],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[pachter],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [pachter],
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 4537277/15-6539 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2016, 24 juni 2016 en 25 november 2016 ;
de arresten in de zaak 200.207.676 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, 5 juni 2018, 26 november 2019 en 13 oktober 2020.
[verpachter] heeft tegen het arrest van het hof van 13 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[pachter] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verpachter] mede door J.M. Moorman en A.C. Tjepkema.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaat van [verpachter] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [verpachter] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [pachter] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verpachter] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 18 februari 2022.