Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1707
2022-12-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/04880
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:1707 → ECLI:NL:GHARL:2021:9557
Inhoudsindicatie
Box 3; artikel 5.3, lid 3, Wet IB 2001; rendementsgrondslag in verband met de mogelijkheid van een vermogenssanctie of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2021:9557 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-10-2021
- ECLI:NL:HR:1952:AY3508 Hoge Raad 19-11-1952
Geciteerd door (17)
- ECLI:NL:PHR:2026:421 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:411 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:411 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:421 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2117 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2115 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2118 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2116 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1619 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2789 Gerechtshof Den Haag 04-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2068 Gerechtshof Den Haag 31-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8931 Rechtbank Den Haag 06-06-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:768 Rechtbank Noord-Nederland 05-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2223 Gerechtshof Den Haag 29-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4372 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1797 Hoge Raad 02-12-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (4.525 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04880
Datum 2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021, nrs. 20/00823 tot en met 20/00828, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 19/3871, LEE 20/529 en LEE 20/530) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen en voor de jaren 2016 tot en met 2019 opgelegde voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N. van den Hoek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2014 en 2015 aanslagen, en zijn voor de jaren 2016 tot en met 2019 voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is telkens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.
2.2
Tot de rendementsgrondslag sparen en beleggen behoorden diverse in Zwitserland gehouden banktegoeden.
2.3
Op of omstreeks 16 mei 2014 is op vordering van de officier van justitie conservatoir verhaalsbeslag gelegd op die Zwitserse banktegoeden.
2.4
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met een aan het hiervoor vermelde verhaalsbeslag ten grondslag liggende vordering en deze terecht niet als schuld (verplichting) in aanmerking heeft genomen.
2.5
Het Hof heeft deze vragen bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen – samengevat – dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting waaraan een waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel bestrijdt dit oordeel met de stelling dat uit het arrest van de Hoge Raad van 19 november 1952 volgt dat reeds door het begaan van de strafbare gedraging een rechtsverhouding ontstaat die de verplichting meebrengt tot voldoening aan een vermogenssanctie of tot afdracht van vermogen in de vorm van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.2
Het in het middel genoemde arrest had betrekking op nog niet vaststaande betalingsverplichtingen, in de vorm van naar verwachting op te leggen geldstraffen, die volgens de toen geldende wettelijke bepalingen door hun voorzienbaarheid in mindering mochten worden gebracht op de belastbare winst.
3.3
Voor het met toepassing van Hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 bepalen van de rendementsgrondslag kan een vermogenssanctie of een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas in aanmerking worden genomen als een schuld in de zin van artikel 5.3, lid 3, Wet IB 2001 nadat die sanctie of maatregel voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
3.4
Het oordeel van het Hof dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting waaraan een waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend, is derhalve juist, evenals zijn oordeel dat een inschatting van de kans dat op vordering van het Openbaar Ministerie een betalingsverplichting zal ontstaan, niet aan de orde is.
3.5
Het middel faalt.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.
ECLI:NL:GHARL:2021:9557.
ECLI:NL:HR:1952:AY3508.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04880
Datum 2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021, nrs. 20/00823 tot en met 20/00828, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 19/3871, LEE 20/529 en LEE 20/530) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen en voor de jaren 2016 tot en met 2019 opgelegde voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N. van den Hoek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2014 en 2015 aanslagen, en zijn voor de jaren 2016 tot en met 2019 voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is telkens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.
2.2
Tot de rendementsgrondslag sparen en beleggen behoorden diverse in Zwitserland gehouden banktegoeden.
2.3
Op of omstreeks 16 mei 2014 is op vordering van de officier van justitie conservatoir verhaalsbeslag gelegd op die Zwitserse banktegoeden.
2.4
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met een aan het hiervoor vermelde verhaalsbeslag ten grondslag liggende vordering en deze terecht niet als schuld (verplichting) in aanmerking heeft genomen.
2.5
Het Hof heeft deze vragen bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen – samengevat – dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting waaraan een waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel bestrijdt dit oordeel met de stelling dat uit het arrest van de Hoge Raad van 19 november 1952 volgt dat reeds door het begaan van de strafbare gedraging een rechtsverhouding ontstaat die de verplichting meebrengt tot voldoening aan een vermogenssanctie of tot afdracht van vermogen in de vorm van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.2
Het in het middel genoemde arrest had betrekking op nog niet vaststaande betalingsverplichtingen, in de vorm van naar verwachting op te leggen geldstraffen, die volgens de toen geldende wettelijke bepalingen door hun voorzienbaarheid in mindering mochten worden gebracht op de belastbare winst.
3.3
Voor het met toepassing van Hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 bepalen van de rendementsgrondslag kan een vermogenssanctie of een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas in aanmerking worden genomen als een schuld in de zin van artikel 5.3, lid 3, Wet IB 2001 nadat die sanctie of maatregel voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
3.4
Het oordeel van het Hof dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting waaraan een waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend, is derhalve juist, evenals zijn oordeel dat een inschatting van de kans dat op vordering van het Openbaar Ministerie een betalingsverplichting zal ontstaan, niet aan de orde is.
3.5
Het middel faalt.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.
ECLI:NL:GHARL:2021:9557.
ECLI:NL:HR:1952:AY3508.