Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:17
2022-01-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/01170
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:17 → ECLI:NL:GHAMS:2021:278
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:17 → ECLI:NL:PHR:2021:1037
Inhoudsindicatie
Overdrachtsbelasting; art. 15, lid 1, aanhef en letter h WBR; had de juridische afsplitsing als hoofddoel het ontwijken van overdrachtsbelasting?
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:278 Gerechtshof Amsterdam 26-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1037 Parket bij de Hoge Raad 03-11-2021
Geciteerd door (13)
- ECLI:NL:HR:2026:298 Hoge Raad 27-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2023:557 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:559 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:498 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:498 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:498 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:860 Gerechtshof Den Haag 26-04-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:860 Gerechtshof Den Haag 26-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:8228 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1477 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:1297 Rechtbank Gelderland 11-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1917 Rechtbank Den Haag 10-02-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (5.113 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/01170
Datum 14 januari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2021, nr. 18/00109, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/884) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.C. Breuer en M. Sanders, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.C. Breuer, advocaat te Alkmaar, en M. Sanders, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 november 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is een vastgoedfonds. In april 2012 zijn belanghebbende en de Stichting [...] (hierna: de Stichting) overeengekomen dat belanghebbende de vastgoedportefeuille van de Stichting zou overnemen tegen uitgifte van aandelen in belanghebbende. Om uitvoering te geven aan die overeenkomst heeft de Stichting een BV opgericht (hierna: de BV) waarin zij alle aandelen houdt. Op 9 augustus 2012 heeft de Stichting als (agio)storting op de aandelen het vastgoed in de BV ingebracht. Op dezelfde dag heeft de BV het van de Stichting verkregen vastgoed afgesplitst naar belanghebbende en heeft belanghebbende aan de Stichting aandelen toegekend.
2.2
Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de vastgoedportefeuille overdrachtsbelasting voldaan. Zij heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.
3Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de verkrijging van de vastgoedportefeuille is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
3.2
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de Stichting heeft gezocht naar een wederpartij die bereid was haar vastgoedportefeuille over te nemen in ruil voor een betaalmix die voor twee derde deel zou bestaan uit aandelen en voor een derde deel uit contanten, dat die betaalmix een rol is blijven spelen tot kort voor de juridische afsplitsing, en dat voor beide bij de inbreng betrokken partijen een fiscaal zo gunstig mogelijke vormgeving van de transactie voorop heeft gestaan. Volgens het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de uiteindelijk gekozen vormgeving van de transactie met de juridische afsplitsing als hoofddoel heeft het ontwijken van overdrachtsbelasting. Belanghebbende heeft het tegendeel niet bewezen. Daarom is de verkrijging van de vastgoedportefeuille niet vrijgesteld van overdrachtsbelasting, aldus het Hof.
4Beoordeling van de middelen
4.1
De eerste twee middelen betogen in de eerste plaats, samengevat, dat het Hof niet had mogen oordelen dat de juridische splitsing als hoofddoel het ontwijken van overdrachtsbelasting had, omdat het uiteindelijke doel van die splitsing, de inbreng van de onroerendgoedportefeuille in belanghebbende zakelijk is.
4.2
In zoverre falen de middelen op de gronden die zijn uiteengezet in de onderdelen 6.2 tot en met 6.11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4.3
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen in zoverre is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4
Uit het voorgaande volgt dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:278.
ECLI:NL:PHR:2021:1037.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/01170
Datum 14 januari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2021, nr. 18/00109, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/884) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.C. Breuer en M. Sanders, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.C. Breuer, advocaat te Alkmaar, en M. Sanders, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 november 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is een vastgoedfonds. In april 2012 zijn belanghebbende en de Stichting [...] (hierna: de Stichting) overeengekomen dat belanghebbende de vastgoedportefeuille van de Stichting zou overnemen tegen uitgifte van aandelen in belanghebbende. Om uitvoering te geven aan die overeenkomst heeft de Stichting een BV opgericht (hierna: de BV) waarin zij alle aandelen houdt. Op 9 augustus 2012 heeft de Stichting als (agio)storting op de aandelen het vastgoed in de BV ingebracht. Op dezelfde dag heeft de BV het van de Stichting verkregen vastgoed afgesplitst naar belanghebbende en heeft belanghebbende aan de Stichting aandelen toegekend.
2.2
Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de vastgoedportefeuille overdrachtsbelasting voldaan. Zij heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.
3Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de verkrijging van de vastgoedportefeuille is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
3.2
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de Stichting heeft gezocht naar een wederpartij die bereid was haar vastgoedportefeuille over te nemen in ruil voor een betaalmix die voor twee derde deel zou bestaan uit aandelen en voor een derde deel uit contanten, dat die betaalmix een rol is blijven spelen tot kort voor de juridische afsplitsing, en dat voor beide bij de inbreng betrokken partijen een fiscaal zo gunstig mogelijke vormgeving van de transactie voorop heeft gestaan. Volgens het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de uiteindelijk gekozen vormgeving van de transactie met de juridische afsplitsing als hoofddoel heeft het ontwijken van overdrachtsbelasting. Belanghebbende heeft het tegendeel niet bewezen. Daarom is de verkrijging van de vastgoedportefeuille niet vrijgesteld van overdrachtsbelasting, aldus het Hof.
4Beoordeling van de middelen
4.1
De eerste twee middelen betogen in de eerste plaats, samengevat, dat het Hof niet had mogen oordelen dat de juridische splitsing als hoofddoel het ontwijken van overdrachtsbelasting had, omdat het uiteindelijke doel van die splitsing, de inbreng van de onroerendgoedportefeuille in belanghebbende zakelijk is.
4.2
In zoverre falen de middelen op de gronden die zijn uiteengezet in de onderdelen 6.2 tot en met 6.11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4.3
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen in zoverre is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4
Uit het voorgaande volgt dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:278.
ECLI:NL:PHR:2021:1037.