Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2022:1560

2022-11-01 Strafrecht 21/01158
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2022-11-01
Publicatiedatum
2022-10-28
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
21/01158
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JM 2022/144 met annotatie van Pieters, S. | RvdW 2022/1042

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Economische zaak. Medeplegen feitelijk leiding geven aan illegale overbrenging van afvalstoffen (art. 10.60.2 Wet milieubeheer jo. 2.35.a en 2.35.b EVOA) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), meermalen gepleegd door rechtspersoon. 1. Heeft hof grondslag van tll. verlaten en is bewijsconstructie redengevend voor onderdeel van bewezenverklaarde? 2. Heeft hof redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in (inleidende) bewijsoverwegingen die niet blijken uit gebezigde bewijsmiddelen? 3. Bewijsklacht feitelijk leidinggeven. 4. Kon hof oordelen dat het onaannemelijk is dat er toestemming was om niet in Farmsum bewerkte olie naar Duitsland over te brengen? 5. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door verdachte te veroordelen voor iets wat in art. 2.35.d EVOA strafbaar is gesteld, terwijl tll. is toegesneden op art. 2.35.a en/of 2.35.b EVOA? 6. Bewijsklacht opzet van rechtspersoon m.b.t. illegale overbrenging van afvalstoffen. 7. Bronopgave van onderdelen van nadere bewijsoverwegingen. 8. Bewijsklachten valsheid van vervoersdocumenten en opzet van rechtspersoon op valsheid. HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.879 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 21/01158 E

Datum 1 november 2022




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 2 maart 2021, nummer 21-003421-17, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en O.S. Pluimer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 5.000, subsidiair zestig dagen hechtenis.




3Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 4.750, subsidiair 57 dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2022.