Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1162
2022-09-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/05173
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:1162 → ECLI:NL:GHAMS:2021:3636
Inhoudsindicatie
Artikel 8:75 Awb, proceskostenveroordeling, onderdeel C van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, wegingsfactoren, Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3636 Gerechtshof Amsterdam 28-10-2021
- ECLI:NL:HR:2011:BT2293 Hoge Raad 23-09-2011
Geciteerd door (167)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7853 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3455 Rechtbank Gelderland 01-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3455 Rechtbank Gelderland 01-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1880 Gerechtshof Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1881 Gerechtshof Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:179 Gerechtshof Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:242 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:241 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:245 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:243 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:248 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:239 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:247 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:252 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:253 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:257 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:246 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:236 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:250 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:233 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:240 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:237 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:224 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:258 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:232 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:254 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:228 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:244 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:269 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:83 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:267 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:226 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:270 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:268 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:255 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:225 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:256 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:231 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:262 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:230 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:223 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:235 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:266 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:251 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:227 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:238 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:264 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:265 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:259 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:249 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:260 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:261 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:229 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:263 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:222 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:234 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:221 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (4.656 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05173
Datum 9 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 oktober 2021, nr. 20/00231, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/679) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar) heeft belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.2
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep heeft de Rechtbank ongegrond verklaard.
2.4
In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend waarin het Hof is verzocht het hoger beroep van belanghebbende gegrond te verklaren, de uitspraak op bezwaar te vernietigen, en de zaak terug te wijzen voor een nieuwe beoordeling van het bezwaar.
2.5
Het Hof heeft overwogen dat het zich aansluit bij het verzoek van de heffingsambtenaar. Het heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de zaak naar de heffingsambtenaar teruggewezen.
2.6
Daarbij heeft het Hof de heffingsambtenaar veroordeeld belanghebbende de (proces)kosten van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep te vergoeden, bij de berekening waarvan het Hof de wegingsfactor 0,25 heeft toegepast.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten houden onder meer in dat het Hof de heffingsambtenaar ten onrechte heeft veroordeeld de kosten van het bezwaar te vergoeden, aangezien uit de beslissing van het Hof volgt dat nog niet vaststaat dat het bezwaar gegrond is. In zoverre falen de klachten bij gebrek aan belang. Het slagen ervan zou belanghebbende niet in een betere positie kunnen brengen.
3.2
De klachten houden voorts in dat het Hof niet zonder nadere motivering de wegingsfactor 0,25 mocht toepassen, omdat uit bestaande jurisprudentie volgt dat in beginsel uitgegaan moet worden van de wegingsfactor 1, en een afwijking daarvan door een nadere motivering verklaard moet kunnen worden.
3.3
Voor zover de klachten een bevestiging van deze stelling willen vinden in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, berusten zij op verkeerde lezing van dat arrest. Aan dat arrest kan namelijk niet de conclusie worden verbonden dat de wegingsfactor genoemd in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) uitsluitend kan worden bepaald aan de hand van de “bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener“. Blijkens de in onderdeel 3.3 van dat arrest aangehaalde toelichting op het Bpb wordt dit gewicht tevens bepaald door “het – al dan niet in geld uit te drukken – belang” dat met het aanwenden van het rechtsmiddel was gemoeid. Een en ander brengt mee dat de vaststelling van de gewichtscategorie waarin een zaak valt, berust op waarderingen van feitelijke aard.
3.4
De beslissing van het Hof omtrent de wegingsfactor is, anders dan de klachten voorstaan, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre falen de klachten.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:3636.
ECLI:NL:HR:2011:BT2293.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05173
Datum 9 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 oktober 2021, nr. 20/00231, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/679) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar) heeft belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.2
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep heeft de Rechtbank ongegrond verklaard.
2.4
In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend waarin het Hof is verzocht het hoger beroep van belanghebbende gegrond te verklaren, de uitspraak op bezwaar te vernietigen, en de zaak terug te wijzen voor een nieuwe beoordeling van het bezwaar.
2.5
Het Hof heeft overwogen dat het zich aansluit bij het verzoek van de heffingsambtenaar. Het heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de zaak naar de heffingsambtenaar teruggewezen.
2.6
Daarbij heeft het Hof de heffingsambtenaar veroordeeld belanghebbende de (proces)kosten van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep te vergoeden, bij de berekening waarvan het Hof de wegingsfactor 0,25 heeft toegepast.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten houden onder meer in dat het Hof de heffingsambtenaar ten onrechte heeft veroordeeld de kosten van het bezwaar te vergoeden, aangezien uit de beslissing van het Hof volgt dat nog niet vaststaat dat het bezwaar gegrond is. In zoverre falen de klachten bij gebrek aan belang. Het slagen ervan zou belanghebbende niet in een betere positie kunnen brengen.
3.2
De klachten houden voorts in dat het Hof niet zonder nadere motivering de wegingsfactor 0,25 mocht toepassen, omdat uit bestaande jurisprudentie volgt dat in beginsel uitgegaan moet worden van de wegingsfactor 1, en een afwijking daarvan door een nadere motivering verklaard moet kunnen worden.
3.3
Voor zover de klachten een bevestiging van deze stelling willen vinden in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, berusten zij op verkeerde lezing van dat arrest. Aan dat arrest kan namelijk niet de conclusie worden verbonden dat de wegingsfactor genoemd in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) uitsluitend kan worden bepaald aan de hand van de “bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener“. Blijkens de in onderdeel 3.3 van dat arrest aangehaalde toelichting op het Bpb wordt dit gewicht tevens bepaald door “het – al dan niet in geld uit te drukken – belang” dat met het aanwenden van het rechtsmiddel was gemoeid. Een en ander brengt mee dat de vaststelling van de gewichtscategorie waarin een zaak valt, berust op waarderingen van feitelijke aard.
3.4
De beslissing van het Hof omtrent de wegingsfactor is, anders dan de klachten voorstaan, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre falen de klachten.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:3636.
ECLI:NL:HR:2011:BT2293.