Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1128
2022-09-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/00186
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:1128 → ECLI:NL:GHAMS:2021:3801
Inhoudsindicatie
Berechting binnen een redelijke termijn. Toepassing van ECLI:NL:HR:2014:1461, rov. 2.7, en ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.3.2. Nadat in bezwaar geheel aan de bezwaren over de aanslag tegemoetgekomen is, procedeert belanghebbende verder over de hoogte van vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Wanneer eindigt de in aanmerking te nemen redelijke termijn?
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3801 Gerechtshof Amsterdam 07-12-2021
- ECLI:NL:HR:2014:1461 Hoge Raad 20-06-2014
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (157)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7941 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6272 Rechtbank Gelderland 05-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6082 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5169 Rechtbank Gelderland 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3586 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1594 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4394 Rechtbank Midden-Nederland 21-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3989 Rechtbank Gelderland 20-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3993 Rechtbank Gelderland 20-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3659 Rechtbank Midden-Nederland 19-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2511 Rechtbank Gelderland 01-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:387 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:399 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:398 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:400 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:401 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:CRVB:2025:1902 Centrale Raad van Beroep 19-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8413 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5693 Raad van State 25-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8169 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-11-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:13528 Rechtbank Rotterdam 20-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6241 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6486 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5171 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2012 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1144 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1142 Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3225 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3226 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2996 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2729 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-05-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2281 Rechtbank Oost-Brabant 16-04-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7149 Rechtbank Midden-Nederland 16-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1447 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1923 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2569 Rechtbank Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:345 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:221 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:222 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:26 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9257 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9222 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9216 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9223 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9220 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9218 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9215 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:9221 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3594 Gerechtshof Amsterdam 19-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2068 Gerechtshof Den Haag 31-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2104 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1978 Gerechtshof Den Haag 15-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1425 Hoge Raad 11-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1427 Hoge Raad 11-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6052 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6242 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5096 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-07-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (7.713 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00186
Datum 2 september 2022
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00441, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/682) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
2.2
Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 23 december 2016 door de Inspecteur ontvangen.
2.3
Bij brief van 11 december 2018 (hierna: de brief van 11 december 2018), met het opschrift “Motivering van uitspraak op het bezwaarschrift”, heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld: “Ik kom tegemoet aan uw bezwaar. De uitspraak op uw bezwaarschrift krijgt u binnenkort afzonderlijk toegezonden van het computercentrum in Apeldoorn.”
2.4
Bij uitspraak op bezwaar van 28 december 2018 is de Inspecteur geheel aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetgekomen. Hij heeft het bezwaar gegrond verklaard, het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en de beschikking belastingrente vernietigd.
2.5
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft vastgesteld dat, aangezien het bezwaarschrift op 23 december 2016 door de Inspecteur is ontvangen en de Rechtbank op 6 juli 2020 uitspraak deed, de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling of belanghebbende daarom aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing gelaten. Vanaf dat moment wist belanghebbende dat de Inspecteur geheel aan het bezwaar tegemoet kwam en een kostenvergoeding toekende. In beroep ging het alleen nog om belanghebbendes verzoek hem wegens het tijdsverloop tot de uitspraak op bezwaar een hogere vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten toe te kennen, aldus de Rechtbank.
2.6
In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Het Hof heeft overwogen dat de brief van 11 december 2018 niet is aan te merken als een uitspraak op bezwaar, en bovendien de procedure pas eindigt als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld belanghebbende immateriële schade te vergoeden tot een bedrag van € 2.000.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel bestrijdt de in 2.6 weergegeven beslissing.
3.2
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht.
3.3
Daarmee is in overeenstemming dat de voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode, na een uitspraak waarmee het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen, niet doorloopt in geval de rechter nog bij afzonderlijke uitspraak moet beslissen op een verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Het wachten op die afzonderlijke uitspraak kan niet worden geacht een voortzetting van de eerder door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie mee te brengen. Er is geen reden om anders te oordelen ten aanzien van andere verzoeken die niet de hoofdzaak betreffen, zoals verzoeken om vergoeding van proceskosten. Daaruit volgt dat ook in het geval de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op dergelijke, met het verloop van de procedure verband houdende, verzoeken, het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed is op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is, of behoorde te zijn, beëindigd. Dit geldt ook indien het geschil inzake de belasting niet is beëindigd door een uitspraak van de rechter, maar door de kennisgeving van een beslissing van de inspecteur.
3.4
De bestreden uitspraak getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan het Hof niet worden gevolgd in zijn opvatting dat de brief van 11 december 2018 ontoereikend is om aan te nemen dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde was gekomen. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat bij beantwoording van de vraag of een geschil inzake de belastingheffing binnen redelijke termijn is beëindigd alleen betekenis kan worden toegekend aan een mededeling van de inspecteur in de vorm van een uitspraak op bezwaar, berust zijn beslissing op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof daarvan niet is uitgegaan, is zijn beslissing niet begrijpelijk, aangezien de hiervoor in 2.3 en 2.4 weergegeven gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat het geschil over de hoogte van de aanslag was geëindigd doordat de inspecteur aan de bezwaren van belanghebbende was tegemoetgekomen.
3.5
Het middel slaagt. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 en 3.3 is overwogen, heeft de Rechtbank bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade op toereikende gronden vastgesteld dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde was gekomen door de brief van de Inspecteur van 11 december 2018, zodat het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing moet blijven. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:3801.
Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, rechtsoverweging 2.7.
Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.3.2.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00186
Datum 2 september 2022
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00441, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/682) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
2.2
Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 23 december 2016 door de Inspecteur ontvangen.
2.3
Bij brief van 11 december 2018 (hierna: de brief van 11 december 2018), met het opschrift “Motivering van uitspraak op het bezwaarschrift”, heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld: “Ik kom tegemoet aan uw bezwaar. De uitspraak op uw bezwaarschrift krijgt u binnenkort afzonderlijk toegezonden van het computercentrum in Apeldoorn.”
2.4
Bij uitspraak op bezwaar van 28 december 2018 is de Inspecteur geheel aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetgekomen. Hij heeft het bezwaar gegrond verklaard, het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en de beschikking belastingrente vernietigd.
2.5
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft vastgesteld dat, aangezien het bezwaarschrift op 23 december 2016 door de Inspecteur is ontvangen en de Rechtbank op 6 juli 2020 uitspraak deed, de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling of belanghebbende daarom aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing gelaten. Vanaf dat moment wist belanghebbende dat de Inspecteur geheel aan het bezwaar tegemoet kwam en een kostenvergoeding toekende. In beroep ging het alleen nog om belanghebbendes verzoek hem wegens het tijdsverloop tot de uitspraak op bezwaar een hogere vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten toe te kennen, aldus de Rechtbank.
2.6
In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Het Hof heeft overwogen dat de brief van 11 december 2018 niet is aan te merken als een uitspraak op bezwaar, en bovendien de procedure pas eindigt als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld belanghebbende immateriële schade te vergoeden tot een bedrag van € 2.000.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel bestrijdt de in 2.6 weergegeven beslissing.
3.2
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht.
3.3
Daarmee is in overeenstemming dat de voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode, na een uitspraak waarmee het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen, niet doorloopt in geval de rechter nog bij afzonderlijke uitspraak moet beslissen op een verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Het wachten op die afzonderlijke uitspraak kan niet worden geacht een voortzetting van de eerder door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie mee te brengen. Er is geen reden om anders te oordelen ten aanzien van andere verzoeken die niet de hoofdzaak betreffen, zoals verzoeken om vergoeding van proceskosten. Daaruit volgt dat ook in het geval de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op dergelijke, met het verloop van de procedure verband houdende, verzoeken, het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed is op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is, of behoorde te zijn, beëindigd. Dit geldt ook indien het geschil inzake de belasting niet is beëindigd door een uitspraak van de rechter, maar door de kennisgeving van een beslissing van de inspecteur.
3.4
De bestreden uitspraak getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan het Hof niet worden gevolgd in zijn opvatting dat de brief van 11 december 2018 ontoereikend is om aan te nemen dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde was gekomen. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat bij beantwoording van de vraag of een geschil inzake de belastingheffing binnen redelijke termijn is beëindigd alleen betekenis kan worden toegekend aan een mededeling van de inspecteur in de vorm van een uitspraak op bezwaar, berust zijn beslissing op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof daarvan niet is uitgegaan, is zijn beslissing niet begrijpelijk, aangezien de hiervoor in 2.3 en 2.4 weergegeven gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat het geschil over de hoogte van de aanslag was geëindigd doordat de inspecteur aan de bezwaren van belanghebbende was tegemoetgekomen.
3.5
Het middel slaagt. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 en 3.3 is overwogen, heeft de Rechtbank bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade op toereikende gronden vastgesteld dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde was gekomen door de brief van de Inspecteur van 11 december 2018, zodat het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing moet blijven. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:3801.
Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, rechtsoverweging 2.7.
Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.3.2.