Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:648
2021-06-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/00972
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:648 → ECLI:NL:GHARL:2020:861
- conclusie ECLI:NL:HR:2021:648 → ECLI:NL:PHR:2020:1142
Inhoudsindicatie
Artikel 223 Gemeentewet, Verordening forensenbelasting 2015 gemeente Ommen, gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, proportionaliteitsbeginsel, artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2020:1142 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
Geciteerd door (42)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2874 Rechtbank Midden-Nederland 28-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2873 Rechtbank Midden-Nederland 28-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12623 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12617 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1044 Parket bij de Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2016 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2016 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:213 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:364 Gerechtshof Amsterdam 21-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22378 Rechtbank Den Haag 23-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1141 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1141 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1178 Hoge Raad 13-09-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1178 Hoge Raad 13-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2653 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-08-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:3308 Rechtbank Overijssel 24-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:235 Parket bij de Hoge Raad 01-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:235 Parket bij de Hoge Raad 01-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1094 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:118 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1197 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1224 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6829 Rechtbank Limburg 22-11-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6820 Rechtbank Limburg 22-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7472 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2303 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5911 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5911 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:485 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:246 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:9830 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2863 Gerechtshof Den Haag 11-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5828 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-10-2022
- ECLI:NL:HR:2022:752 Hoge Raad 27-05-2022
- ECLI:NL:HR:2022:752 Hoge Raad 27-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1498 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-03-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:613 Rechtbank Overijssel 02-03-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:612 Rechtbank Overijssel 02-03-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2021:9796 Rechtbank Limburg 23-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8099 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-08-2021
- ECLI:NL:HR:2021:824 Hoge Raad 04-06-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (10.682 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00972
Datum 4 juni 2021
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OMMEN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2020, nr. 18/00550, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. AWB 17/314) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Ommen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P1] en [P2] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 november 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende had in 2015 het recht van erfpacht van een recreatiewoning te [Q] , gemeente Ommen (hierna: de woning). De woning is gelegen op een recreatieterrein, maar is niet onderdeel van een recreatiesamenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en letter e, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). De WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2015 is hoger dan € 140.000.
2.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag forensenbelasting van € 1.620 opgelegd op basis van de Verordening forensenbelasting 2015 van de gemeente Ommen (hierna: de Verordening).
2.3
De Verordening luidt, voor zover hier van belang:
“Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht
1. Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. (…)
Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief
(…)
4. De forensenbelasting bedraagt per jaar voor een (…) gemeubileerde woning
a. die deel uitmaakt van een belastingobject waarvan de waarde in het economisch verkeer is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken € 225,--,
b. waarvan de waarde in het economisch verkeer niet is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken met een waarde in het economisch verkeer en waarvan de waarde in het economisch verkeer:
1. minder is dan € 60.000,- € 775,-
2. € 60.000,- of meer, maar minder dan € 100.000,- € 1.025,-
3. € 100.000,- of meer, maar minder dan € 140.000,- € 1.320,-
4. € 140.000,- of meer € 1.620,-“
3Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Verordening, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, voor de toepassing van de heffingsmaatstaf en de daarbij gehanteerde tarieven, onderscheid maakt tussen gemeubileerde woningen op de grond dat zij al dan niet onderdeel zijn van een recreatiesamenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en letter e, van de Wet WOZ (hierna: recreatiesamenstel).
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat gemeubileerde woningen die deel uitmaken van een recreatiesamenstel, vergelijkbaar zijn met andere gemeubileerde woningen die in dezelfde tariefklasse vallen, maar die geen deel uitmaken van een recreatiesamenstel. Bij het beschikbaar houden van eerstgenoemde woning wordt, ongeacht de waarde ervan, een bedrag van € 225 aan forensenbelasting geheven, terwijl bij het beschikbaar houden van laatstgenoemde woning een bedrag van minimaal € 755 wordt geheven. Het Hof heeft overwogen dat noch het betoog van de heffingsambtenaar dat woningen gelegen op een recreatiesamenstel in zijn algemeenheid een veel lagere waarde hebben dan woningen die niet op een dergelijk terrein zijn gelegen, noch het betoog dat woningen op een recreatiesamenstel veelal niet op eigen grond zijn gelegen, een toereikende verklaring geeft voor het verschil in behandeling. Ook hoge perceptiekosten rechtvaardigen niet de creatie van een aparte tariefklasse nu reeds een tariefklasse voor woningen met geen of een geringe waarde bestaat, aldus het Hof. De aanslag forensenbelasting is opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet. Het Hof heeft geoordeeld dat de ongelijke behandeling wordt weggenomen door de aan belanghebbende opgelegde aanslag te verlagen tot € 225.
4Beoordeling van de middelen
4.1
Het College komt met zeven middelen op tegen dit oordeel. De middelen III tot en met VII, die zich keren tegen het oordeel van het Hof dat de opgelegde aanslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2
Bij de beoordeling van deze middelen wordt vooropgesteld dat artikel 223 Gemeentewet, in samenhang met artikel 219, lid 2, Gemeentewet, voorziet in de grondslag voor de bevoegdheid van een gemeente om forensenbelasting te heffen. De forensenbelasting is een directe belasting die wordt geheven van niet-ingezetenen, die door het beschikbaar houden van een woning voor minstens negentig dagen per jaar gebruik kunnen maken van gemeentelijke voorzieningen. In artikel 223 Gemeentewet is geen heffingsmaatstaf of (maximale) tariefstelling bepaald. Voor de heffing van forensenbelasting mag een gemeente daarom het tarief afhankelijk maken van de waarde van de woning volgens de Wet WOZ, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring van een regeling is slechts plaats indien de gekozen heffingsmaatstaf dan wel tariefstelling tot een uitkomst voert die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel zoals het gelijkheidsbeginsel.
4.3
De middelen slagen. De gemeentelijke wetgever is, naar de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld en het College in cassatie herhaalt, bij de invoering van het onderscheid tussen woningen die wel en woningen die niet onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel, uitgegaan van de ervaringsregel dat eerstgenoemde woningen anders dan laatstgenoemde woningen een aanmerkelijk lagere waarde hebben dan € 60.000. Bij de (exceptieve) toetsing van het in de Verordening gemaakte onderscheid moet eerst worden onderzocht of de gemeentelijke wetgever in redelijkheid van deze ervaringsregel mocht uitgaan en vervolgens, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, of in deze ervaringsregel de benodigde steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. De redelijkheid van het door de gemeentelijke wetgever gehanteerde uitgangspunt is door belanghebbende in de feitelijke instanties met geen ander argument bestreden dan dat hem een of enkele gevallen bekend zijn van op een recreatiesamenstel gelegen woningen die een waarde hebben van, of althans te koop worden aangeboden voor, meer dan € 60.000. Deze gestelde omstandigheid kan, wat daarvan verder zij, niet de gevolgtrekking dragen dat de gemeentelijke wetgever in redelijkheid niet van de eerder genoemde ervaringsregel mocht uitgaan. De redelijkheid van zo’n uitgangspunt valt of staat namelijk niet bij wat achteraf komt vast te staan over de volledige feitelijke juistheid ervan. De tweede vraag, of in de ervaringsregel de benodigde steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid, moet eveneens bevestigend worden beantwoord. In deze ervaringsregel komt namelijk tot uitdrukking dat woningen die onderdeel zijn van een recreatiesamenstel en andere woningen feitelijk niet gelijk zijn.
4.4
De middelen I en II behoeven geen behandeling. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.5
Belanghebbende heeft voor het Hof ook aangevoerd dat de aanslag in strijd is met het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, mede met het oog op artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. In de bestreden uitspraak is op die stellingen geen gemotiveerde beslissing gegeven. Daarin ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor verwijzing van de zaak omdat het Hof deze stellingen slechts had kunnen verwerpen. Hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen met betrekking tot de wettelijke grondslag voor de heffing van forensenbelasting en de daaruit voortvloeiende vrijheid van de gemeentelijke regelgever bij het bepalen van de heffingsgrondslag en van het tarief, brengt mee dat het Hof in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond had kunnen vinden voor het oordeel dat het opleggen van de aanslag onverenigbaar is met de door belanghebbende genoemde algemene rechtsbeginselen. De enkele omstandigheid dat de Verordening voor het jaar 2015 voor belanghebbende heeft geleid tot een aanmerkelijk hogere aanslag dan in het verleden het geval was, behoefde voor het Hof ook geen aanleiding te zijn om te onderzoeken of er sprake is van een buitensporige last in de zin van de hiervoor genoemde verdragsbepaling.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, de proceskosten en het griffierecht, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.
ECLI:NL:PHR:2020:1142.
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00972
Datum 4 juni 2021
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OMMEN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2020, nr. 18/00550, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. AWB 17/314) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Ommen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P1] en [P2] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 november 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende had in 2015 het recht van erfpacht van een recreatiewoning te [Q] , gemeente Ommen (hierna: de woning). De woning is gelegen op een recreatieterrein, maar is niet onderdeel van een recreatiesamenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en letter e, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). De WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2015 is hoger dan € 140.000.
2.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag forensenbelasting van € 1.620 opgelegd op basis van de Verordening forensenbelasting 2015 van de gemeente Ommen (hierna: de Verordening).
2.3
De Verordening luidt, voor zover hier van belang:
“Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht
1. Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. (…)
Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief
(…)
4. De forensenbelasting bedraagt per jaar voor een (…) gemeubileerde woning
a. die deel uitmaakt van een belastingobject waarvan de waarde in het economisch verkeer is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken € 225,--,
b. waarvan de waarde in het economisch verkeer niet is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken met een waarde in het economisch verkeer en waarvan de waarde in het economisch verkeer:
1. minder is dan € 60.000,- € 775,-
2. € 60.000,- of meer, maar minder dan € 100.000,- € 1.025,-
3. € 100.000,- of meer, maar minder dan € 140.000,- € 1.320,-
4. € 140.000,- of meer € 1.620,-“
3Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Verordening, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, voor de toepassing van de heffingsmaatstaf en de daarbij gehanteerde tarieven, onderscheid maakt tussen gemeubileerde woningen op de grond dat zij al dan niet onderdeel zijn van een recreatiesamenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en letter e, van de Wet WOZ (hierna: recreatiesamenstel).
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat gemeubileerde woningen die deel uitmaken van een recreatiesamenstel, vergelijkbaar zijn met andere gemeubileerde woningen die in dezelfde tariefklasse vallen, maar die geen deel uitmaken van een recreatiesamenstel. Bij het beschikbaar houden van eerstgenoemde woning wordt, ongeacht de waarde ervan, een bedrag van € 225 aan forensenbelasting geheven, terwijl bij het beschikbaar houden van laatstgenoemde woning een bedrag van minimaal € 755 wordt geheven. Het Hof heeft overwogen dat noch het betoog van de heffingsambtenaar dat woningen gelegen op een recreatiesamenstel in zijn algemeenheid een veel lagere waarde hebben dan woningen die niet op een dergelijk terrein zijn gelegen, noch het betoog dat woningen op een recreatiesamenstel veelal niet op eigen grond zijn gelegen, een toereikende verklaring geeft voor het verschil in behandeling. Ook hoge perceptiekosten rechtvaardigen niet de creatie van een aparte tariefklasse nu reeds een tariefklasse voor woningen met geen of een geringe waarde bestaat, aldus het Hof. De aanslag forensenbelasting is opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet. Het Hof heeft geoordeeld dat de ongelijke behandeling wordt weggenomen door de aan belanghebbende opgelegde aanslag te verlagen tot € 225.
4Beoordeling van de middelen
4.1
Het College komt met zeven middelen op tegen dit oordeel. De middelen III tot en met VII, die zich keren tegen het oordeel van het Hof dat de opgelegde aanslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2
Bij de beoordeling van deze middelen wordt vooropgesteld dat artikel 223 Gemeentewet, in samenhang met artikel 219, lid 2, Gemeentewet, voorziet in de grondslag voor de bevoegdheid van een gemeente om forensenbelasting te heffen. De forensenbelasting is een directe belasting die wordt geheven van niet-ingezetenen, die door het beschikbaar houden van een woning voor minstens negentig dagen per jaar gebruik kunnen maken van gemeentelijke voorzieningen. In artikel 223 Gemeentewet is geen heffingsmaatstaf of (maximale) tariefstelling bepaald. Voor de heffing van forensenbelasting mag een gemeente daarom het tarief afhankelijk maken van de waarde van de woning volgens de Wet WOZ, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring van een regeling is slechts plaats indien de gekozen heffingsmaatstaf dan wel tariefstelling tot een uitkomst voert die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel zoals het gelijkheidsbeginsel.
4.3
De middelen slagen. De gemeentelijke wetgever is, naar de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld en het College in cassatie herhaalt, bij de invoering van het onderscheid tussen woningen die wel en woningen die niet onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel, uitgegaan van de ervaringsregel dat eerstgenoemde woningen anders dan laatstgenoemde woningen een aanmerkelijk lagere waarde hebben dan € 60.000. Bij de (exceptieve) toetsing van het in de Verordening gemaakte onderscheid moet eerst worden onderzocht of de gemeentelijke wetgever in redelijkheid van deze ervaringsregel mocht uitgaan en vervolgens, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, of in deze ervaringsregel de benodigde steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. De redelijkheid van het door de gemeentelijke wetgever gehanteerde uitgangspunt is door belanghebbende in de feitelijke instanties met geen ander argument bestreden dan dat hem een of enkele gevallen bekend zijn van op een recreatiesamenstel gelegen woningen die een waarde hebben van, of althans te koop worden aangeboden voor, meer dan € 60.000. Deze gestelde omstandigheid kan, wat daarvan verder zij, niet de gevolgtrekking dragen dat de gemeentelijke wetgever in redelijkheid niet van de eerder genoemde ervaringsregel mocht uitgaan. De redelijkheid van zo’n uitgangspunt valt of staat namelijk niet bij wat achteraf komt vast te staan over de volledige feitelijke juistheid ervan. De tweede vraag, of in de ervaringsregel de benodigde steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid, moet eveneens bevestigend worden beantwoord. In deze ervaringsregel komt namelijk tot uitdrukking dat woningen die onderdeel zijn van een recreatiesamenstel en andere woningen feitelijk niet gelijk zijn.
4.4
De middelen I en II behoeven geen behandeling. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.5
Belanghebbende heeft voor het Hof ook aangevoerd dat de aanslag in strijd is met het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, mede met het oog op artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. In de bestreden uitspraak is op die stellingen geen gemotiveerde beslissing gegeven. Daarin ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor verwijzing van de zaak omdat het Hof deze stellingen slechts had kunnen verwerpen. Hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen met betrekking tot de wettelijke grondslag voor de heffing van forensenbelasting en de daaruit voortvloeiende vrijheid van de gemeentelijke regelgever bij het bepalen van de heffingsgrondslag en van het tarief, brengt mee dat het Hof in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond had kunnen vinden voor het oordeel dat het opleggen van de aanslag onverenigbaar is met de door belanghebbende genoemde algemene rechtsbeginselen. De enkele omstandigheid dat de Verordening voor het jaar 2015 voor belanghebbende heeft geleid tot een aanmerkelijk hogere aanslag dan in het verleden het geval was, behoefde voor het Hof ook geen aanleiding te zijn om te onderzoeken of er sprake is van een buitensporige last in de zin van de hiervoor genoemde verdragsbepaling.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, de proceskosten en het griffierecht, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.
ECLI:NL:PHR:2020:1142.