Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2021:1824

2021-12-07 Strafrecht 18/02766
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2021-12-07
Publicatiedatum
2021-12-06
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
18/02766
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2022/11

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude. Medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), medeplegen valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd (art. 225 Sr) en medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht oplichting. Zijn bewezenverklaarde mededelingen in prospectussen gedaan om een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken? 2. Bewijsklacht oplichting. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat tlgd. oplichtingsmiddelen niet bewezen kunnen worden. 3. Bewijsklacht oplichting. Heeft hof juiste maatstaf gehanteerd bij zijn oordeel dat sprake is geweest van het bewezenverklaarde opzet op oplichting? 4. Bewijsklacht oplichting. Uos ten aanzien van het opzet op het medeplegen van oplichting. 5. Bewijsklacht gewoontewitwassen. 6. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Kan uit bewijsvoering volgen dat sprake is geweest van benodigd opzet? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/02891 (niet gepubliceerd, verdachte overleden) en 18/03381.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.203 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 18/02766

Datum 7 december 2021




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2018, nummer 21/007251-15, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens de in cassatie gemaakte inbreuk op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het eerste tot en met het zesde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beoordeling van het zevende cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.




4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021.