Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2021:1355

2021-09-24 Bestuursrecht; Belastingrecht 21/00375
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2021-09-24
Publicatiedatum
2021-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
21/00375
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2021/2230 | V-N 2021/39.15 met annotatie van Redactie | NLF 2021/1923 met annotatie van Fleur Kossen | BNB 2021/152 | NJB 2021/2744 | USZ 2021/378 | Belastingblad 2021/421 met annotatie van S. BOSMA | FED 2021/139 met annotatie van E. THOMAS | JB 2021/198 | NTFR 2021/3202 met annotatie van mr. E.J.M. Bohnen | Viditax (FutD) 2021092411 | FutD 2021-2952

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

dwangsom wegens niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar; ingebrekestelling onbevoegd bestuursorgaan; art. 4:17, lid 3, Awb en art. 2:3 Awb

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (8)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.913 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 21/00375

Datum 24 september 2021



ARREST



in de zaak van




[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)



tegen



het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS



op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 december 2020, nr. 19/00818, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 18/3400) betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.





1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.




2Uitgangspunten in cassatie

2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem heeft belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Met dagtekening 31 mei 2016 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een duplicaatnaheffingsaanslag toegezonden, waarin is vermeld:“U kunt het bezwaarschrift schriftelijk indienen bij de gemeente Haarlem, t.a.v. de Inspecteur Belastingen, Postbus 796, 2130 AT Hoofddorp.”


2.2
Belanghebbende heeft een kopie van het bezwaarschrift verzonden met als bijlage een ingevuld ‘formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’. De adressering in de kopie van het bezwaarschrift luidt:"De Inspecteur Belastingen (...)Gemeente Haarlemmermeer Fax: 023-5563561 (buiten gebruik)Antwoordnummer 400 Email: [email protected] WB Hoofddorp (...) "Op het bijgevoegde formulier is als datum vermeld: 2 mei 2017 Op het bezwaarschrift is een stempel geplaatst met de tekst:“INGEKOMEN 08 MEI 2017”


2.3
De heffingsambtenaar heeft op 24 mei 2017 uitspraak op bezwaar gedaan en bij beschikking van 1 augustus 2017 een dwangsom van € 40 toegekend.




3Procedure bij het Hof

3.1
Bij het Hof was de hoogte van de dwangsom in geschil.


3.2
Belanghebbende betoogde met verwijzing naar in hoger beroep overgelegde bescheiden dat de ingebrekestelling op 2 mei 2017 door een onbevoegd bestuursorgaan (onderdeel van de gemeente Haarlemmermeer en niet van de gemeente Haarlem) is ontvangen en dat die datum bij het bepalen van de verschuldigde dwangsom uitgangspunt moet zijn.


3.3
Het Hof heeft geoordeeld dat, ook indien veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat de ingebrekestelling op 2 mei 2017 bij het onbevoegde bestuursorgaan is ingediend, het begin van de termijn waarover de dwangsom is verschuldigd niet eerder is aangevangen dan op 8 mei 2017, de datum waarop de ingebrekestelling door het bevoegde bestuursorgaan is ontvangen. Op die grond heeft het Hof het hoger beroep ongegrond geacht.




4Beoordeling van de middelen

4.1
Het Hof heeft aan zijn beslissing mede ten grondslag gelegd het oordeel dat het bepaalde in artikel 6:15, lid 3, Awb niet van toepassing is op een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb die is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan en dat daarom als datum van ontvangst van de ingebrekestelling geldt de datum waarop het bevoegde bestuursorgaan dit stuk – na doorzending ervan op de voet van artikel 2:3 Awb – heeft ontvangen. Dit oordeel is juist. Voor zover de middelen zich tegen dat oordeel keren, falen zij daarom.


4.2
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).




5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2021.