Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:936
2020-05-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/02965
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:936 → ECLI:NL:GHAMS:2019:1609
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (34)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:401 Gerechtshof Amsterdam 07-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:391 Gerechtshof Amsterdam 07-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:756 Gerechtshof Amsterdam 17-01-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:774 Gerechtshof Amsterdam 17-01-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:773 Gerechtshof Amsterdam 17-01-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3731 Gerechtshof Amsterdam 13-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:555 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:558 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:551 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:556 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:557 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:554 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:553 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:312 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:311 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:309 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:414 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:310 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:308 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:307 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:107 Gerechtshof Amsterdam 13-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4120 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4117 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4115 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4119 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4116 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4118 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3674 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4072 Gerechtshof Amsterdam 18-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4068 Gerechtshof Amsterdam 18-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4069 Gerechtshof Amsterdam 18-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4071 Gerechtshof Amsterdam 18-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4066 Gerechtshof Amsterdam 18-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1910 Gerechtshof Amsterdam 29-06-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (2.351 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02965
Datum 29 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2019, nr. 19/00071, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 18/1999) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] .
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02965
Datum 29 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2019, nr. 19/00071, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 18/1999) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] .
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020.