Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:9
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:9 → ECLI:NL:PHR:2019:1389
Inhoudsindicatie
Opzettelijk handelen in strijd met art. 2.C Opiumwet. Verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen geldbedrag. Het Hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat “het geld is verdiend met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte”. Het Hof heeft in het midden gelaten op welke in art. 33a.1 Sr genoemde grond of gronden het geldbedrag voor verbeurdverklaring vatbaar is. Mede gelet daarop heeft het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring ontoereikend gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a.1 Sr telkens het bewezenverklaarde feit moet worden verstaan, zodat in een geval als i.c. voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. het bewezenverklaarde aanwezig hebben van verdovende middelen. Volgt partiële vernietiging (uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring) en terugwijzing. CAG: anders.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (49)
- ECLI:NL:HR:2026:1361 Hoge Raad 25-08-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:600 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:629 Parket bij de Hoge Raad 23-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:346 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:346 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:233 Hoge Raad 13-02-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1936 Hoge Raad 16-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1148 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1772 Hoge Raad 25-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1148 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5976 Rechtbank Oost-Brabant 30-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:708 Parket bij de Hoge Raad 15-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:708 Parket bij de Hoge Raad 15-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:668 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:453 Hoge Raad 25-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:313 Parket bij de Hoge Raad 11-03-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1831 Hoge Raad 10-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1169 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3172 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1335 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:HR:2024:124 Hoge Raad 30-01-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1695 Hoge Raad 05-12-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5478 Rechtbank Midden-Nederland 18-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:923 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:923 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:270 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:71 Parket bij de Hoge Raad 17-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:71 Parket bij de Hoge Raad 17-01-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1620 Hoge Raad 15-11-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1423 Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1065 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1065 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1065 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:768 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:768 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:768 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
- ECLI:NL:HR:2022:798 Hoge Raad 31-05-2022
- ECLI:NL:HR:2022:187 Hoge Raad 15-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1187 Parket bij de Hoge Raad 21-12-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:3563 Rechtbank Overijssel 20-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:674 Parket bij de Hoge Raad 16-03-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:1770 Rechtbank Rotterdam 01-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:710 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:710 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:710 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:344 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:344 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:249 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:249 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (5.192 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 18/04306
Datum 7 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 maart 2018, nummer 20/003110-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1
Het middel klaagt over de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.055,-.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 7 oktober 2015 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,3 gram en 83,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 4,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.3
Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. De Politierechter heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:
“Voor wat betreft het inbeslaggenomen geld, ontbreekt enige onderbouwing voor de stelling dat (een gedeelte van) het geld van verdachte zelf is. Er zijn echter wel aanwijzingen dat het geld verdiend is met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte. Derhalve is er geen reden (een deel van) het geld aan verdachte terug te geven, maar zal het volledige bedrag verbeurd worden verklaard.”
De politierechter legt op:
(...)
Verbeurdverklaring van het volgende inbeslaggenomene:
(...)
1055,- euro”.
2.4
Art. 33a, eerste lid, Sr luidt:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.”
2.5
Het Hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat “het geld is verdiend met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte”. Het Hof heeft in het midden gelaten op welke in art. 33a, eerste lid, Sr genoemde grond of gronden het geldbedrag van € 1.055,- voor verbeurdverklaring vatbaar is. Mede gelet daarop heeft het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring van voormeld geldbedrag ontoereikend gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a, eerste lid, Sr telkens het bewezenverklaarde feit moet worden verstaan, zodat in een geval als het onderhavige voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a, eerste lid, Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van verdovende middelen.
2.6
Het middel slaagt.
3Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van voormeld geldbedrag van € 1.055,-;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2020.