Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:331
2020-02-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/00619
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM; art. 10, leden 1, 2 en 7, Wet BPM; art. 110 VWEU; art. 8, lid 4, Uitvoeringsregeling BPM; registratie gebruikte auto; koerslijstwaarde vermindering; ex-rental
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2011:219
- ECLI:NL:HR:2020:63 Hoge Raad 17-01-2020
Geciteerd door (295)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5579 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4341 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3426 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2990 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2711 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2716 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9539 Rechtbank Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1607 Gerechtshof Den Haag 01-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1852 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:426 Gerechtshof Den Haag 18-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:131 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:131 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:173 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:131 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:131 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:131 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:407 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:332 Gerechtshof Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2915 Gerechtshof Den Haag 24-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2915 Gerechtshof Den Haag 24-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9139 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2871 Gerechtshof Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2920 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2923 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2918 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2919 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2922 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2921 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2922 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2864 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2864 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2865 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6989 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6989 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7364 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2242 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2246 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2243 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2245 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2240 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2150 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2240 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2155 Gerechtshof Den Haag 28-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1823 Gerechtshof Den Haag 05-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1822 Gerechtshof Den Haag 05-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1524 Gerechtshof Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1554 Gerechtshof Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1835 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2143 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4293 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1835 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1703 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1826 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:9520 Rechtbank Noord-Holland 01-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2142 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3315 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-05-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (6.956 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00619
Datum 28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 januari 2019, nr. BK-18/00758, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/6632) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Belanghebbende heeft in 2017 een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan met het oog op het in het Nederlandse kentekenregister doen registreren van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto. Deze auto is niet een zogenoemde “ex-rental”. Belanghebbende heeft bij de aangifte ervoor gekozen de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2017; hierna: de Wet) bedoelde vermindering (afschrijving) te bepalen met gebruikmaking van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland (artikel 10, lid 7, van de Wet).
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag. Zij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet op de door haar voor de afschrijving gebruikte waarde uit de koerslijst een extra vermindering mag toepassen omdat volgens haar bij de binnenlandse handel in gebruikte personenauto’s rekening wordt gehouden met een waardevermindering wanneer een personenauto een verhuurverleden heeft gehad (“ex-rental”). Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur dit bezwaar terecht heeft afgewezen.
2.3.1
Middel I richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel steunt op de opvatting dat bij het bepalen van de in artikel 10, lid 7, van de Wet bedoelde waarde op grond van artikel 110 VWEU een vermindering voor “ex-rental” moet worden toegepast, ook als de te registreren personenauto waarvan de afschrijving moet worden bepaald, niet een verhuurverleden heeft en ook als de door de belastingplichtige gehanteerde koerslijst geen onderscheid maakt tussen personenauto’s die wel en die niet “ex-rental” zijn. Die opvatting is onjuist.
2.3.2
Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst “ex-rental” als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als “rental” is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een “ex-rental” zijn.
2.3.3
Wanneer de belastingplichtige voor zijn aangifte gebruik maakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst waarin “ex‑rental” niet als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat dit gegeven bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant is. Het staat de belastingplichtige in dat geval niet vrij om - los van de gekozen koerslijst - een vermindering wegens “ex-rental” in aanmerking te nemen. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.
2.3.4
Het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod maakt dit een en ander niet anders. Dit verbod brengt mee dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige, gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd. Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.
2.3.5
De omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, brengt, anders dan middel I betoogt, niet mee dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder verhuurverleden. In zoverre is immers niet sprake van gelijksoortige personenauto’s als hiervoor in 2.3.4 bedoeld. Evenmin brengt het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU mee dat de belastingplichtige die ervoor kiest de waarde van de te registreren personenauto te bepalen aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, een aanvullende vermindering in aanmerking mag nemen op grond van een factor die in deze koerslijst niet staat.
2.3.6
Uit hetgeen hiervoor in 2.3.1 tot en met 2.3.5 is overwogen, volgt dat middel I faalt.
2.4
De overige middelen kunnen evenmin leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Vgl. HvJ 7 april 2011, Ioan Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219, punten 39 en 40 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00619
Datum 28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 januari 2019, nr. BK-18/00758, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/6632) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Belanghebbende heeft in 2017 een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan met het oog op het in het Nederlandse kentekenregister doen registreren van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto. Deze auto is niet een zogenoemde “ex-rental”. Belanghebbende heeft bij de aangifte ervoor gekozen de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2017; hierna: de Wet) bedoelde vermindering (afschrijving) te bepalen met gebruikmaking van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland (artikel 10, lid 7, van de Wet).
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag. Zij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet op de door haar voor de afschrijving gebruikte waarde uit de koerslijst een extra vermindering mag toepassen omdat volgens haar bij de binnenlandse handel in gebruikte personenauto’s rekening wordt gehouden met een waardevermindering wanneer een personenauto een verhuurverleden heeft gehad (“ex-rental”). Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur dit bezwaar terecht heeft afgewezen.
2.3.1
Middel I richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel steunt op de opvatting dat bij het bepalen van de in artikel 10, lid 7, van de Wet bedoelde waarde op grond van artikel 110 VWEU een vermindering voor “ex-rental” moet worden toegepast, ook als de te registreren personenauto waarvan de afschrijving moet worden bepaald, niet een verhuurverleden heeft en ook als de door de belastingplichtige gehanteerde koerslijst geen onderscheid maakt tussen personenauto’s die wel en die niet “ex-rental” zijn. Die opvatting is onjuist.
2.3.2
Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst “ex-rental” als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als “rental” is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een “ex-rental” zijn.
2.3.3
Wanneer de belastingplichtige voor zijn aangifte gebruik maakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst waarin “ex‑rental” niet als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat dit gegeven bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant is. Het staat de belastingplichtige in dat geval niet vrij om - los van de gekozen koerslijst - een vermindering wegens “ex-rental” in aanmerking te nemen. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.
2.3.4
Het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod maakt dit een en ander niet anders. Dit verbod brengt mee dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige, gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd. Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.
2.3.5
De omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, brengt, anders dan middel I betoogt, niet mee dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder verhuurverleden. In zoverre is immers niet sprake van gelijksoortige personenauto’s als hiervoor in 2.3.4 bedoeld. Evenmin brengt het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU mee dat de belastingplichtige die ervoor kiest de waarde van de te registreren personenauto te bepalen aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, een aanvullende vermindering in aanmerking mag nemen op grond van een factor die in deze koerslijst niet staat.
2.3.6
Uit hetgeen hiervoor in 2.3.1 tot en met 2.3.5 is overwogen, volgt dat middel I faalt.
2.4
De overige middelen kunnen evenmin leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Vgl. HvJ 7 april 2011, Ioan Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219, punten 39 en 40 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.