Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4341
2026-06-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/1446 t/m 24/1452
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM. Vermindering (afschrijving).
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:2023:692 Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1703 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:HR:2022:640 Hoge Raad 20-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2023:2453 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2024:4876 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-07-2024
- ECLI:NL:HR:2025:248 Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:HR:2020:331 Hoge Raad 28-02-2020
- ECLI:NL:HR:2024:147 Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:670 Hoge Raad 25-04-2025
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5825 Rechtbank Gelderland 17-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5829 Rechtbank Gelderland 17-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5810 Rechtbank Gelderland 17-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (43.783 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1446 tot en met 24/1452
uitspraakdatum: 30 juni 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 juni 2024, nummers ARN 22/3101 tot en met 22/3107, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 13.122 ter zake van zeven personenauto’s (hierna: de auto’s).
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 13.089 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 403,50.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover deze betrekking hebben op auto 1 en auto 5, de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur vernietigd voor zover deze ziet op auto 1 en auto 5, de naheffingsaanslag verminderd tot € 12.802, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 428), proceskosten (€ 2.479,37) en griffierecht (€ 184), en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 1.072) en proceskosten (€ 109,38).
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingebracht en een pleitnota ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Namens belanghebbende zijn R.M.T.C. van Maassen-Bolsenbroek en [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn [naam2] en [naam3] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Feiten
2.1.
Aan belanghebbende is op 14 mei 2021 een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd van € 13.122 ter zake van zeven personenauto’s. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2022 verminderd tot € 13.089. De gegevens van de in geschil zijnde auto’s betreffen de volgende.
Auto 1 (Opel Mokka X 1.4)
2.2.
Belanghebbende heeft op 27 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Mokka X 1.4 (hierna: auto 1) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 27 maart 2019. Auto 1 is op 12 januari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 2.886 en heeft een bedrag van € 2.885 voldaan.
2.3.
Voor de waardebepaling van auto 1 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 12 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 30.788 kilometer. In het taxatierapport van 12 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 8.247, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 17.421 (XRAY-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 7.174 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 300 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.000 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 13.762.
2.4.
De Inspecteur heeft op 22 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) laten doen. Van dit onderzoek is op 25 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 37.346 vermeld en een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.897 (koerslijstwaarde AutotelexPro (Marge)). In het rapport is een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking genomen van € 2.216 (= (72% van de bruto schadecalculatie van € 3.078, waaronder een ontbrekend Nederlandstalig boekenpakket ad € 85), zodat DRZ is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 20.681.
2.5.
De tenaamstelling van auto 1 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 23 januari 2021.
2.6.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 1 een bedrag van € 2.717 nageheven. Na bezwaar is deze naheffing verminderd tot € 2.703. De Inspecteur is bij de vermindering uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 37.346, een historische bruto BPM van € 13.762 en een handelsinkoopwaarde van € 15.167. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door een koerslijstwaarde van XRAY te hanteren van € 17.421 waarop een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking is genomen van € 2.253 (= 72% van de bruto schadecalculatie van € 3.129, een iets hoger schadebedrag dan bij het opleggen van de naheffingsaanslag door een correctie van het uurloon bij schadeherstel). De verschuldigde BPM is berekend op € 5.588, zodat het nageheven bedrag – zoals dit luidt na uitspraak op bezwaar – € 2.703 (= € 5.588 -/- € 2.885) bedraagt. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd tot € 39.318. De Rechtbank heeft de naheffing ter zake van auto 1 gelet hierop verminderd naar € 2.435.
Auto 2 (Volkswagen Tiguan 1.5 TSI ACT Highline Business R)
2.7.
Belanghebbende heeft op 12 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Volkswagen Tiguan 1.5 TSI ACT Highline Business R (hierna: auto 2) gekocht. De datum eerste toelating – in Duitsland – is 19 mei 2020. Auto 2 is op 3 december 2020 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 10 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 2.534 en heeft een bedrag van € 2.533 voldaan.
2.8.
Voor de waardebepaling van auto 2 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 4 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 23.799 kilometer. In het taxatierapport van 4 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 16.497, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 25.958 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 6.961 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 200 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.500 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 7.148.
2.9.
De Inspecteur heeft op 18 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 25 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 46.530 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 25.958 (koerslijstwaarde XRAY rental) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 2 aldus vastgesteld op € 25.958.
2.10.
De tenaamstelling van auto 2 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 23 januari 2021.
2.11.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 2 een bedrag van € 1.333 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 46.530, een historische bruto BPM van € 7.148 en een handelsinkoopwaarde van € 25.958. De verschuldigde BPM is berekend op € 3.866, zodat een bedrag van € 1.333 (= € 3.866 -/- € 2.533) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 3 (Opel Mokka 1.4)
2.12.
Belanghebbende heeft op 27 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Mokka 1.4 (hierna: auto 3) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 24 mei 2019. Auto 3 is op 12 januari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 3.136 en dit bedrag voldaan.
2.13.
Voor de waardebepaling van auto 3 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 12 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 27.311 kilometer. In het taxatierapport van 12 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 9.538, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 17.507 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 5.969 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 250 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.000 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 11.790.
2.14.
De Inspecteur heeft op 25 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 29 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 35.848 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.910 (koerslijstwaarde XRAY rental) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 3 aldus vastgesteld op € 17.910.
2.15.
De tenaamstelling van auto 3 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021.
2.16.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 3 een bedrag van € 2.124 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 35.848, een historische bruto BPM van € 10.702 en een handelsinkoopwaarde van € 17.910. De verschuldigde BPM is berekend op € 5.260, zodat een bedrag van € 2.124 (= € 5.260 -/- € 3.136) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 4 (Opel Mokka 1.4)
2.17.
Belanghebbende heeft op 27 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Mokka 1.4 (hierna: auto 4) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 24 mei 2019. Auto 4 is op 12 januari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 2.839 en heeft een bedrag van € 2.838 voldaan.
2.18.
Voor de waardebepaling van auto 4 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 12 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 25.252 kilometer. In het taxatierapport van 12 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 9.510, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 17.588 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 6.078 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 250 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.000 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 10.702.
2.19.
De Inspecteur heeft op 25 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 29 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 35.848 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.990 (koerslijstwaarde XRAY rental) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 4 aldus vastgesteld op € 17.990.
2.20.
De tenaamstelling van auto 4 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021.
2.21.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 4 een bedrag van € 2.118 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 35.848, een historische bruto BPM van € 10.702 en een handelsinkoopwaarde van € 17.990. De verschuldigde BPM is berekend op € 5.284. Doordat de Inspecteur – in weerwil van het onder 2.17 vermelde – is uitgegaan van een voldaan bedrag van € 3.166, is een bedrag van € 2.118 (= € 5.284 -/- € 3.166) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 5 (Opel Corsa 1.4 120 jaar Edition)
2.22.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Corsa 1.4 120 jaar Edition (hierna: auto 5) gekocht. De datum eerste toelating – in Frankrijk – is 16 mei 2019. Auto 5 is op 29 oktober 2020 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 10 november 2020 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 555 en dit bedrag voldaan.
2.23.
Voor de waardebepaling van auto 5 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 5 november 2020 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 22.195 kilometer. In het taxatierapport van 5 november 2020 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 1.950, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 10.782 (AutotelexPro-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 7.332 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 300 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 1.500 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 6.134.
2.24.
De Inspecteur heeft op 16 november 2020 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 18 november 2020 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 21.397 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 10.766 (koerslijstwaarde AutotelexPro (Marge)) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 5 aldus vastgesteld op € 10.766.
2.25.
De tenaamstelling van auto 5 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 19 november 2020.
2.26.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 5 een bedrag van € 2.483 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 21.397, een historische bruto BPM van € 6.134 en een handelsinkoopwaarde van € 10.766. De verschuldigde BPM is berekend op € 3.038, zodat een bedrag van € 2.483 (= € 3.038 -/- € 555) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd tot € 21.528. De Rechtbank heeft de naheffing ter zake van auto 5 gelet hierop verminderd naar € 2.464.
Auto 6 (Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business)
2.27.
Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 een gebruikte personenauto van het merk Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business (hierna: auto 6) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 8 april 2019. Auto 6 is op 8 februari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 9 februari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 738 en heeft een bedrag van € 737 voldaan.
2.28.
Voor de waardebepaling van auto 6 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 1 februari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 41.807 kilometer. In het taxatierapport van 4 februari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 3.811, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 11.686 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 5.300 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 300 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.575 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 6.527.
2.29.
De Inspecteur heeft op 11 februari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 15 februari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 33.700 vermeld en een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 11.686 (koerslijstwaarde XRAY rental). In het rapport is een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking genomen van € 2.318 (= (72% van de bruto schadecalculatie van € 3.220, waaronder een Nederlandstalig boekenpakket ad € 85), zodat DRZ is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 9.368.
2.30.
De tenaamstelling van auto 6 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021.
2.31.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 6 een bedrag van € 1.076 nageheven. Na bezwaar is deze naheffing verminderd tot € 1.063. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 33.700, een historische bruto BPM van € 6.527 en een handelsinkoopwaarde van € 9.368. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door een koerslijstwaarde van XRAY rental te hanteren van € 11.686 waarop een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking is genomen van € 2.386 (= 72% van de bruto schadecalculatie van € 3.133, een iets hoger schadebedrag dan bij het opleggen van de naheffingsaanslag door een correctie van het uurloon bij schadeherstel). De verschuldigde BPM is berekend op € 1.800, zodat het nageheven bedrag – zoals dit luidt na uitspraak op bezwaar – € 1.063 (= € 1.800 -/- € 737) bedraagt. De Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 7 (Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business)
2.32.
Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 een gebruikte personenauto van het merk Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business (hierna: auto 7) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 8 april 2019. Auto 7 is op 8 februari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 734 en dit bedrag voldaan.
2.33.
Voor de waardebepaling van auto 7 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 1 februari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 42.807 kilometer. In het taxatierapport van 4 februari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 3.794, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 11.653 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 5.284 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 250 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.575 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 6.527.
2.34.
De Inspecteur heeft op 18 februari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 18 februari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 33.700 vermeld en een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 11.653 (koerslijstwaarde XRAY rental). In het rapport is een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking genomen van € 1.295 (= (72% van de bruto schadecalculatie van € 1.799, waaronder een Nederlandstalig boekenpakket ad € 85), zodat DRZ is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 10.358.
2.35.
De tenaamstelling van auto 7 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021.
2.36.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 7 een bedrag van € 1.271 nageheven. Na bezwaar is deze naheffing verminderd tot € 1.065. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 33.700, een historische bruto BPM van € 6.527 en een handelsinkoopwaarde van € 10.324. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door een koerslijstwaarde van XRAY rental te hanteren van € 11.653 waarop een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking is genomen van € 1.329 (= 72% van de bruto schadecalculatie van € 1.845, een iets hoger schadebedrag dan bij het opleggen van de naheffingsaanslag door een correctie van het uurloon bij schadeherstel). De verschuldigde BPM is berekend op € 1.999, zodat het nageheven bedrag – zoals dit luidt na uitspraak op bezwaar – € 1.265 (= € 1.999 -/- € 734) bedraagt. De Rechtbank heeft dit bevestigd.
2.37.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag, gelet op de vermindering ter zake van auto’s 1 en 5 (zie 2.6 en 2.26), verminderd tot € 12.802.
3Geschil
3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag – zoals deze luidt na de uitspraak van de Rechtbank – tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.2.
Belanghebbende betoogt:
i) dat aanleiding bestaat voor een (verdere) waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto’s wegens schade;
ii) dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto’s leidt tot een waardevermindering, en;
iii) dat – alleen ter zake van auto’s 2 tot en met 5 – een waardevermindering vanwege het huurverleden van de auto’s in aanmerking dient te worden genomen.
3.3.
Ten aanzien van auto 2 tot en met 5 stelt belanghebbende voorts als primair standpunt dat binnen de taxatiemethode de koerslijst van Eurotax , met toepassing van de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’, leidt tot de laagste koerslijstwaarde en daarom dient te worden toegepast, en stelt zij subsidiair te switchen van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode, waarbij deze koerslijst van Eurotax met toepassing van de correcties wordt gehanteerd.
3.4.
Belanghebbende heeft haar stelling dat de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten onrechte is uitgegaan van het lage tarief en aldus voor de bezwaarfase een te laag bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend, ter zitting van het Hof ingetrokken.
3.5.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens op de punten van de immateriële schadevergoeding, de proceskostenvergoeding en het griffierecht, en van de uitspraak van de Inspecteur, behoudens de beslissing over de kostenvergoeding, en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag.
3.6.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Bij toepassing van de taxatiemethode kan als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto, gebruik worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentieauto die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. De in deze koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is in dat geval slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn.
4.2.
Belanghebbende draagt ter ondersteuning van haar – onder 3.2 genoemde – standpunten de in haar opdracht opgemaakte taxatierapporten aan. Daarnaast heeft zij in beroep een aantal uitvergrote foto’s van de auto’s ingebracht.
4.3.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van de taxatierapporten, de foto’s en de daarop gegeven toelichting meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Het Hof volgt de Rechtbank daarin. Aangezien belanghebbende in hoger beroep haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel in hoger beroep. Of de taxatierapporten om formele of materiële redenen moeten worden uitgesloten van bewijs, zoals de Inspecteur heeft gesteld, kan derhalve in het midden blijven.
4.4.
Met betrekking tot auto’s 2 tot en met 5 acht het Hof derhalve niet aannemelijk dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Daarbij merkt het Hof op dat het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket bij een auto in elk geval niet aan te merken als aan die auto toegebrachte schade. Nu verder niet in geschil is dat de auto’s voorkomen op een koerslijst, kan de taxatiemethode bij auto’s 2 tot en met 5 dus niet worden toegepast. Voor dat geval heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard met betrekking tot auto’s 2 tot en met 5 te willen switchen naar de koerslijstmethode.
4.5.
Met betrekking tot auto’s 1, 6 en 7 acht het Hof voorts, gezien de leeftijd van de auto’s en het aantal gereden kilometers (auto 1: 22 maanden en 30.788 km; auto 6: 22 maanden en 41.807 km; auto 7: 22 maanden en 42.807 km), niet aannemelijk dat het waardeverminderende effect van de in aanmerking genomen gecalculeerde herstelkosten meer bedraagt dan 72%, waarmee de Inspecteur rekening heeft gehouden.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’
4.6.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.
4.7.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de auto’s sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de auto’s. In de taxatierapporten wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in de taxatierapporten onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met de taxatierapporten en hetgeen zij overigens heeft aangevoerd niet erin geslaagd voor de auto’s een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.
Handelsinkoopwaarde; toepassen koerslijst Eurotax met correcties (auto’s 2 t/m 5)
4.8
Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat, gelet op het onder 4.4 overwogene, de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijstmethode. Bij toepassing van de koerslijstmethode is de Inspecteur gehouden bij een koerslijst van Eurotax de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ zonder nader bewijs toe te passen, indien – zoals voor auto’s 2 tot en met 5 het geval is – het belastbare feit zich heeft voorgedaan vóór 4 oktober 2021. De belastbare feiten hebben zich voorgedaan voor die datum. Voor de auto’s 2 tot en met 5 staat vast dat het gebruik van de koerslijst van Eurotax met toepassing van genoemde factoren leidt tot lagere handelsinkoopprijzen voor de betreffende auto’s – door partijen ter zitting van het Hof aan de hand van de uitdraaien in het rapport van DRZ bepaald op respectievelijk: € 25.601 (auto 2), € 16.296 (auto 3), € 16.342 (auto 4) en € 10.711 (auto 5) – dan de handelsinkoopprijzen die volgen uit de koerslijsten die de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft gebruikt.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met huurverleden (auto’s 2 t/m 5)
4.9.
Belanghebbende stelt (enkel) met betrekking tot auto’s 2 tot en met 5 dat een waardevermindering dient te worden toegepast in verband met het huurverleden van deze auto’s. Daartoe verwijst belanghebbende naar de buitenlandse kentekenbewijzen van de voormalige eigenaren van deze auto’s.
4.10.
De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van gebruikte huurauto’s en van de in dat verband gestelde waardeverminderingen. Volgens de Inspecteur vormt de enkele verwijzing naar de kentekenbewijzen geen bewijs dat sprake is van voormalige huurauto’s. De vermelding “Selbstfahrermietfahrzeug/Mietf”, op het buitenlandse kentekenbewijs van auto 2, wil niet meer zeggen dan dat die auto op deze wijze in het Duitse kentekenregister is geregistreerd, maar niet dat die auto voor kortdurende verhuur met telkens wisselende bestuurders is gebruikt. De auto zou ook als lease- of demoauto kunnen zijn gebruikt. Die vermelding levert dan ook geen stigma op. Daarnaast blijkt uit de inkoopfactuur niet dat het zou gaan om een voormalige huurauto, eerder om lease. De taxateur heeft niet vastgesteld of sprake is geweest van wisselend gebruik van de auto. Belanghebbende heeft ook geen verkoopfactuur overgelegd die haar stelling onderbouwt, aldus nog steeds de Inspecteur.
4.11.
Het huurverleden van een auto kan een waardedrukkende factor zijn. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.
4.12.
Daargelaten of de koerslijstmethode ruimte biedt voor een vermindering van de koerslijstwaarde wegens de door belanghebbende bepleite vermindering in verband met het huurverleden, is het Hof van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto’s ex-huurauto’s zijn. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat hetgeen is vermeld op de kentekenbewijzen niets zegt over het daadwerkelijk verhuurd zijn van de auto’s. Op de kentekenbewijzen van auto’s 3, 4 en 5 staat helemaal niets dat wijst op een huurverleden en wat betreft auto 2 overweegt het Hof dat de enkele vermelding “Selbstfahrermietfahrzeug/Mietf” onvoldoende is om dit aan te nemen. Bovendien is op de inkoopfacturen niet vermeld dat deze auto’s een huurverleden hebben en heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij bij verkoop van deze auto’s melding heeft gemaakt van een huurverleden. Daarnaast heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur een stigma vanwege de vermelding op buitenlandse kentekenbewijzen niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met een gesteld huurverleden van de auto’s aannemelijk te maken.
Artikel 110 VWEU
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende met het taxatierapport geen waardevermindering aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof komt daarom toe aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU.
4.14.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto’s aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’) vergelijkbare vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en vergelijkbare schade in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en schade kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende.
4.15.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure voor geen van de auto’s bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van referentievoertuigen in de nadere stukken van 21 mei 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Bovendien betreft het uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte referentievoertuigen, waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat zij ten tijde van de registratie (van de onderhavige auto’s) op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s te koop waren aangeboden. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite verminderingen.
Cijfermatige conclusie
4.16.
Indien wordt uitgegaan van de – onder 4.8 genoemde – handelsinkoopwaarden van auto’s 2 tot en met 5, dienen de naheffingen voor deze auto’s als volgt te worden berekend:
Auto 2: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 2 van € 46.530 en een handelsinkoopwaarde van € 25.601 bedraagt de afschrijving afgerond 44,98% (= (46.530 -/- 25.601)/46.530). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 121, € 3.811 (= (55,02% x 7.148) -/- 121), zodat de naheffing voor auto 2 moet worden vastgesteld op € 1.278 (= 3.811 -/- 2.533).
Auto 3: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 3 van € 35.848 en een handelsinkoopwaarde van € 16.296 bedraagt de afschrijving afgerond 54,55% (= (35.848 -/- 16.296)/35.848). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 86, € 4.778 (= (45,45% x 10.702) -/- 86), zodat de naheffing voor auto 3 moet worden vastgesteld op € 1.642 (= 4.778 -/- 3.136).
Auto 4: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 4 van € 35.848 en een handelsinkoopwaarde van € 16.342 bedraagt de afschrijving afgerond 54,42% (= (35.848 -/- 16.342)/35.848). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 86, € 4.791 (= (45,58% x 10.702) -/- 86), zodat de naheffing voor auto 4 moet worden vastgesteld op € 1.953 (= 4.791 -/- 2.838).
Auto 5: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 5 van € 21.528 en een handelsinkoopwaarde van € 10.711 bedraagt de afschrijving afgerond 50,25% (= (21.528 -/- 10.711)/21.528). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 48, € 3.003 (= (49,75% x 6.134) -/- 48), zodat de naheffing voor auto 5 moet worden vastgesteld op € 2.448 (= 3.003 -/- 555).
4.16.
Nu belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat de naheffingsaanslag voor het overige cijfermatig niet in geschil is, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 12.084.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar vastgesteld op € 620. De Inspecteur had reeds bij uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding toegekend van € 403,50, die niet is vernietigd door de Rechtbank en, nu de Inspecteur niet in (incidenteel) hoger beroep is gekomen, is komen vast te staan. Voorts heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd tegen de door de Rechtbank voor de behandeling van het beroep vastgestelde kosten. Het Hof zal van het voorgaande uitgaan.
5.3.
De uitspraak van de Rechtbank is van na 1 januari 2024, zodat artikel 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) voor de hogerberoepsfase van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2025 en 25 april 2025, zodat het Hof bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase zal uitgaan van een vermenigvuldigingsfactor 0,25.
5.4.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x vermenigvuldigingsfactor 0,25 x € 934).
5.5.
Verder wordt opgemerkt dat voornoemd bedrag aan proceskosten en het griffierecht op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, behoudens voor zover deze betreft de toegekende proceskostenvergoeding,
– vermindert de naheffingsaanslag tot € 12.084,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 467, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2 en 2.4.3; HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
Vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.4.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.
Zie Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 4.2.3.
HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5.
Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
€ 2.435 (auto 1) + € 1.278 (auto 2) + € 1.642 (auto 3) + € 1.953 (auto 4) + € 2.448 (auto 5) + € 1.063 (auto 6) + € 1.265 (auto 7) = € 12.084.
HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.2
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1446 tot en met 24/1452
uitspraakdatum: 30 juni 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 juni 2024, nummers ARN 22/3101 tot en met 22/3107, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 13.122 ter zake van zeven personenauto’s (hierna: de auto’s).
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 13.089 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 403,50.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover deze betrekking hebben op auto 1 en auto 5, de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur vernietigd voor zover deze ziet op auto 1 en auto 5, de naheffingsaanslag verminderd tot € 12.802, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 428), proceskosten (€ 2.479,37) en griffierecht (€ 184), en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 1.072) en proceskosten (€ 109,38).
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingebracht en een pleitnota ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Namens belanghebbende zijn R.M.T.C. van Maassen-Bolsenbroek en [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn [naam2] en [naam3] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Feiten
2.1.
Aan belanghebbende is op 14 mei 2021 een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd van € 13.122 ter zake van zeven personenauto’s. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2022 verminderd tot € 13.089. De gegevens van de in geschil zijnde auto’s betreffen de volgende.
Auto 1 (Opel Mokka X 1.4)
2.2.
Belanghebbende heeft op 27 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Mokka X 1.4 (hierna: auto 1) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 27 maart 2019. Auto 1 is op 12 januari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 2.886 en heeft een bedrag van € 2.885 voldaan.
2.3.
Voor de waardebepaling van auto 1 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 12 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 30.788 kilometer. In het taxatierapport van 12 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 8.247, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 17.421 (XRAY-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 7.174 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 300 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.000 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 13.762.
2.4.
De Inspecteur heeft op 22 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) laten doen. Van dit onderzoek is op 25 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 37.346 vermeld en een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.897 (koerslijstwaarde AutotelexPro (Marge)). In het rapport is een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking genomen van € 2.216 (= (72% van de bruto schadecalculatie van € 3.078, waaronder een ontbrekend Nederlandstalig boekenpakket ad € 85), zodat DRZ is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 20.681.
2.5.
De tenaamstelling van auto 1 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 23 januari 2021.
2.6.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 1 een bedrag van € 2.717 nageheven. Na bezwaar is deze naheffing verminderd tot € 2.703. De Inspecteur is bij de vermindering uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 37.346, een historische bruto BPM van € 13.762 en een handelsinkoopwaarde van € 15.167. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door een koerslijstwaarde van XRAY te hanteren van € 17.421 waarop een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking is genomen van € 2.253 (= 72% van de bruto schadecalculatie van € 3.129, een iets hoger schadebedrag dan bij het opleggen van de naheffingsaanslag door een correctie van het uurloon bij schadeherstel). De verschuldigde BPM is berekend op € 5.588, zodat het nageheven bedrag – zoals dit luidt na uitspraak op bezwaar – € 2.703 (= € 5.588 -/- € 2.885) bedraagt. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd tot € 39.318. De Rechtbank heeft de naheffing ter zake van auto 1 gelet hierop verminderd naar € 2.435.
Auto 2 (Volkswagen Tiguan 1.5 TSI ACT Highline Business R)
2.7.
Belanghebbende heeft op 12 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Volkswagen Tiguan 1.5 TSI ACT Highline Business R (hierna: auto 2) gekocht. De datum eerste toelating – in Duitsland – is 19 mei 2020. Auto 2 is op 3 december 2020 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 10 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 2.534 en heeft een bedrag van € 2.533 voldaan.
2.8.
Voor de waardebepaling van auto 2 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 4 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 23.799 kilometer. In het taxatierapport van 4 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 16.497, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 25.958 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 6.961 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 200 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.500 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 7.148.
2.9.
De Inspecteur heeft op 18 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 25 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 46.530 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 25.958 (koerslijstwaarde XRAY rental) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 2 aldus vastgesteld op € 25.958.
2.10.
De tenaamstelling van auto 2 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 23 januari 2021.
2.11.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 2 een bedrag van € 1.333 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 46.530, een historische bruto BPM van € 7.148 en een handelsinkoopwaarde van € 25.958. De verschuldigde BPM is berekend op € 3.866, zodat een bedrag van € 1.333 (= € 3.866 -/- € 2.533) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 3 (Opel Mokka 1.4)
2.12.
Belanghebbende heeft op 27 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Mokka 1.4 (hierna: auto 3) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 24 mei 2019. Auto 3 is op 12 januari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 3.136 en dit bedrag voldaan.
2.13.
Voor de waardebepaling van auto 3 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 12 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 27.311 kilometer. In het taxatierapport van 12 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 9.538, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 17.507 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 5.969 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 250 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.000 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 11.790.
2.14.
De Inspecteur heeft op 25 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 29 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 35.848 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.910 (koerslijstwaarde XRAY rental) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 3 aldus vastgesteld op € 17.910.
2.15.
De tenaamstelling van auto 3 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021.
2.16.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 3 een bedrag van € 2.124 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 35.848, een historische bruto BPM van € 10.702 en een handelsinkoopwaarde van € 17.910. De verschuldigde BPM is berekend op € 5.260, zodat een bedrag van € 2.124 (= € 5.260 -/- € 3.136) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 4 (Opel Mokka 1.4)
2.17.
Belanghebbende heeft op 27 november 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Mokka 1.4 (hierna: auto 4) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 24 mei 2019. Auto 4 is op 12 januari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 2.839 en heeft een bedrag van € 2.838 voldaan.
2.18.
Voor de waardebepaling van auto 4 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 12 januari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 25.252 kilometer. In het taxatierapport van 12 januari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 9.510, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 17.588 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 6.078 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 250 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.000 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 10.702.
2.19.
De Inspecteur heeft op 25 januari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 29 januari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 35.848 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.990 (koerslijstwaarde XRAY rental) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 4 aldus vastgesteld op € 17.990.
2.20.
De tenaamstelling van auto 4 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021.
2.21.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 4 een bedrag van € 2.118 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 35.848, een historische bruto BPM van € 10.702 en een handelsinkoopwaarde van € 17.990. De verschuldigde BPM is berekend op € 5.284. Doordat de Inspecteur – in weerwil van het onder 2.17 vermelde – is uitgegaan van een voldaan bedrag van € 3.166, is een bedrag van € 2.118 (= € 5.284 -/- € 3.166) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 5 (Opel Corsa 1.4 120 jaar Edition)
2.22.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2020 een gebruikte personenauto van het merk Opel Corsa 1.4 120 jaar Edition (hierna: auto 5) gekocht. De datum eerste toelating – in Frankrijk – is 16 mei 2019. Auto 5 is op 29 oktober 2020 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 10 november 2020 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 555 en dit bedrag voldaan.
2.23.
Voor de waardebepaling van auto 5 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 5 november 2020 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 22.195 kilometer. In het taxatierapport van 5 november 2020 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 1.950, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 10.782 (AutotelexPro-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 7.332 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 300 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 1.500 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 6.134.
2.24.
De Inspecteur heeft op 16 november 2020 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 18 november 2020 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 21.397 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 10.766 (koerslijstwaarde AutotelexPro (Marge)) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van auto 5 aldus vastgesteld op € 10.766.
2.25.
De tenaamstelling van auto 5 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 19 november 2020.
2.26.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 5 een bedrag van € 2.483 nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 21.397, een historische bruto BPM van € 6.134 en een handelsinkoopwaarde van € 10.766. De verschuldigde BPM is berekend op € 3.038, zodat een bedrag van € 2.483 (= € 3.038 -/- € 555) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffing bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd tot € 21.528. De Rechtbank heeft de naheffing ter zake van auto 5 gelet hierop verminderd naar € 2.464.
Auto 6 (Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business)
2.27.
Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 een gebruikte personenauto van het merk Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business (hierna: auto 6) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 8 april 2019. Auto 6 is op 8 februari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 9 februari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 738 en heeft een bedrag van € 737 voldaan.
2.28.
Voor de waardebepaling van auto 6 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 1 februari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 41.807 kilometer. In het taxatierapport van 4 februari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 3.811, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 11.686 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 5.300 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 300 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.575 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 6.527.
2.29.
De Inspecteur heeft op 11 februari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 15 februari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 33.700 vermeld en een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 11.686 (koerslijstwaarde XRAY rental). In het rapport is een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking genomen van € 2.318 (= (72% van de bruto schadecalculatie van € 3.220, waaronder een Nederlandstalig boekenpakket ad € 85), zodat DRZ is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 9.368.
2.30.
De tenaamstelling van auto 6 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021.
2.31.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 6 een bedrag van € 1.076 nageheven. Na bezwaar is deze naheffing verminderd tot € 1.063. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 33.700, een historische bruto BPM van € 6.527 en een handelsinkoopwaarde van € 9.368. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door een koerslijstwaarde van XRAY rental te hanteren van € 11.686 waarop een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking is genomen van € 2.386 (= 72% van de bruto schadecalculatie van € 3.133, een iets hoger schadebedrag dan bij het opleggen van de naheffingsaanslag door een correctie van het uurloon bij schadeherstel). De verschuldigde BPM is berekend op € 1.800, zodat het nageheven bedrag – zoals dit luidt na uitspraak op bezwaar – € 1.063 (= € 1.800 -/- € 737) bedraagt. De Rechtbank heeft dit bevestigd.
Auto 7 (Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business)
2.32.
Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 een gebruikte personenauto van het merk Ford Focus Wagon 1.0 EcoBoost Titanium Business (hierna: auto 7) gekocht. De datum eerste toelating – in Spanje – is 8 april 2019. Auto 7 is op 8 februari 2021 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 734 en dit bedrag voldaan.
2.33.
Voor de waardebepaling van auto 7 heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 1 februari 2021 heeft de opname plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 42.807 kilometer. In het taxatierapport van 4 februari 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 3.794, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 11.653 (XRAY ex-rental-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 5.284 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 250 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 2.575 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 6.527.
2.34.
De Inspecteur heeft op 18 februari 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een taxateur van DRZ laten doen. Van dit onderzoek is op 18 februari 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 33.700 vermeld en een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 11.653 (koerslijstwaarde XRAY rental). In het rapport is een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking genomen van € 1.295 (= (72% van de bruto schadecalculatie van € 1.799, waaronder een Nederlandstalig boekenpakket ad € 85), zodat DRZ is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 10.358.
2.35.
De tenaamstelling van auto 7 in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021.
2.36.
De Inspecteur heeft met betrekking tot auto 7 een bedrag van € 1.271 nageheven. Na bezwaar is deze naheffing verminderd tot € 1.065. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 33.700, een historische bruto BPM van € 6.527 en een handelsinkoopwaarde van € 10.324. Deze handelsinkoopwaarde is berekend door een koerslijstwaarde van XRAY rental te hanteren van € 11.653 waarop een waardevermindering wegens vastgestelde schade in aanmerking is genomen van € 1.329 (= 72% van de bruto schadecalculatie van € 1.845, een iets hoger schadebedrag dan bij het opleggen van de naheffingsaanslag door een correctie van het uurloon bij schadeherstel). De verschuldigde BPM is berekend op € 1.999, zodat het nageheven bedrag – zoals dit luidt na uitspraak op bezwaar – € 1.265 (= € 1.999 -/- € 734) bedraagt. De Rechtbank heeft dit bevestigd.
2.37.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag, gelet op de vermindering ter zake van auto’s 1 en 5 (zie 2.6 en 2.26), verminderd tot € 12.802.
3Geschil
3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag – zoals deze luidt na de uitspraak van de Rechtbank – tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.2.
Belanghebbende betoogt:
i) dat aanleiding bestaat voor een (verdere) waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto’s wegens schade;
ii) dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto’s leidt tot een waardevermindering, en;
iii) dat – alleen ter zake van auto’s 2 tot en met 5 – een waardevermindering vanwege het huurverleden van de auto’s in aanmerking dient te worden genomen.
3.3.
Ten aanzien van auto 2 tot en met 5 stelt belanghebbende voorts als primair standpunt dat binnen de taxatiemethode de koerslijst van Eurotax , met toepassing van de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’, leidt tot de laagste koerslijstwaarde en daarom dient te worden toegepast, en stelt zij subsidiair te switchen van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode, waarbij deze koerslijst van Eurotax met toepassing van de correcties wordt gehanteerd.
3.4.
Belanghebbende heeft haar stelling dat de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten onrechte is uitgegaan van het lage tarief en aldus voor de bezwaarfase een te laag bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend, ter zitting van het Hof ingetrokken.
3.5.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens op de punten van de immateriële schadevergoeding, de proceskostenvergoeding en het griffierecht, en van de uitspraak van de Inspecteur, behoudens de beslissing over de kostenvergoeding, en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag.
3.6.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Bij toepassing van de taxatiemethode kan als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto, gebruik worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentieauto die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. De in deze koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is in dat geval slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn.
4.2.
Belanghebbende draagt ter ondersteuning van haar – onder 3.2 genoemde – standpunten de in haar opdracht opgemaakte taxatierapporten aan. Daarnaast heeft zij in beroep een aantal uitvergrote foto’s van de auto’s ingebracht.
4.3.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van de taxatierapporten, de foto’s en de daarop gegeven toelichting meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Het Hof volgt de Rechtbank daarin. Aangezien belanghebbende in hoger beroep haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel in hoger beroep. Of de taxatierapporten om formele of materiële redenen moeten worden uitgesloten van bewijs, zoals de Inspecteur heeft gesteld, kan derhalve in het midden blijven.
4.4.
Met betrekking tot auto’s 2 tot en met 5 acht het Hof derhalve niet aannemelijk dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Daarbij merkt het Hof op dat het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket bij een auto in elk geval niet aan te merken als aan die auto toegebrachte schade. Nu verder niet in geschil is dat de auto’s voorkomen op een koerslijst, kan de taxatiemethode bij auto’s 2 tot en met 5 dus niet worden toegepast. Voor dat geval heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard met betrekking tot auto’s 2 tot en met 5 te willen switchen naar de koerslijstmethode.
4.5.
Met betrekking tot auto’s 1, 6 en 7 acht het Hof voorts, gezien de leeftijd van de auto’s en het aantal gereden kilometers (auto 1: 22 maanden en 30.788 km; auto 6: 22 maanden en 41.807 km; auto 7: 22 maanden en 42.807 km), niet aannemelijk dat het waardeverminderende effect van de in aanmerking genomen gecalculeerde herstelkosten meer bedraagt dan 72%, waarmee de Inspecteur rekening heeft gehouden.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’
4.6.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.
4.7.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de auto’s sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de auto’s. In de taxatierapporten wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in de taxatierapporten onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met de taxatierapporten en hetgeen zij overigens heeft aangevoerd niet erin geslaagd voor de auto’s een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.
Handelsinkoopwaarde; toepassen koerslijst Eurotax met correcties (auto’s 2 t/m 5)
4.8
Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat, gelet op het onder 4.4 overwogene, de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijstmethode. Bij toepassing van de koerslijstmethode is de Inspecteur gehouden bij een koerslijst van Eurotax de correcties ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ zonder nader bewijs toe te passen, indien – zoals voor auto’s 2 tot en met 5 het geval is – het belastbare feit zich heeft voorgedaan vóór 4 oktober 2021. De belastbare feiten hebben zich voorgedaan voor die datum. Voor de auto’s 2 tot en met 5 staat vast dat het gebruik van de koerslijst van Eurotax met toepassing van genoemde factoren leidt tot lagere handelsinkoopprijzen voor de betreffende auto’s – door partijen ter zitting van het Hof aan de hand van de uitdraaien in het rapport van DRZ bepaald op respectievelijk: € 25.601 (auto 2), € 16.296 (auto 3), € 16.342 (auto 4) en € 10.711 (auto 5) – dan de handelsinkoopprijzen die volgen uit de koerslijsten die de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft gebruikt.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met huurverleden (auto’s 2 t/m 5)
4.9.
Belanghebbende stelt (enkel) met betrekking tot auto’s 2 tot en met 5 dat een waardevermindering dient te worden toegepast in verband met het huurverleden van deze auto’s. Daartoe verwijst belanghebbende naar de buitenlandse kentekenbewijzen van de voormalige eigenaren van deze auto’s.
4.10.
De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van gebruikte huurauto’s en van de in dat verband gestelde waardeverminderingen. Volgens de Inspecteur vormt de enkele verwijzing naar de kentekenbewijzen geen bewijs dat sprake is van voormalige huurauto’s. De vermelding “Selbstfahrermietfahrzeug/Mietf”, op het buitenlandse kentekenbewijs van auto 2, wil niet meer zeggen dan dat die auto op deze wijze in het Duitse kentekenregister is geregistreerd, maar niet dat die auto voor kortdurende verhuur met telkens wisselende bestuurders is gebruikt. De auto zou ook als lease- of demoauto kunnen zijn gebruikt. Die vermelding levert dan ook geen stigma op. Daarnaast blijkt uit de inkoopfactuur niet dat het zou gaan om een voormalige huurauto, eerder om lease. De taxateur heeft niet vastgesteld of sprake is geweest van wisselend gebruik van de auto. Belanghebbende heeft ook geen verkoopfactuur overgelegd die haar stelling onderbouwt, aldus nog steeds de Inspecteur.
4.11.
Het huurverleden van een auto kan een waardedrukkende factor zijn. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.
4.12.
Daargelaten of de koerslijstmethode ruimte biedt voor een vermindering van de koerslijstwaarde wegens de door belanghebbende bepleite vermindering in verband met het huurverleden, is het Hof van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto’s ex-huurauto’s zijn. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat hetgeen is vermeld op de kentekenbewijzen niets zegt over het daadwerkelijk verhuurd zijn van de auto’s. Op de kentekenbewijzen van auto’s 3, 4 en 5 staat helemaal niets dat wijst op een huurverleden en wat betreft auto 2 overweegt het Hof dat de enkele vermelding “Selbstfahrermietfahrzeug/Mietf” onvoldoende is om dit aan te nemen. Bovendien is op de inkoopfacturen niet vermeld dat deze auto’s een huurverleden hebben en heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij bij verkoop van deze auto’s melding heeft gemaakt van een huurverleden. Daarnaast heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur een stigma vanwege de vermelding op buitenlandse kentekenbewijzen niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met een gesteld huurverleden van de auto’s aannemelijk te maken.
Artikel 110 VWEU
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende met het taxatierapport geen waardevermindering aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof komt daarom toe aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU.
4.14.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto’s aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’) vergelijkbare vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en vergelijkbare schade in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en schade kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende.
4.15.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure voor geen van de auto’s bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van referentievoertuigen in de nadere stukken van 21 mei 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Bovendien betreft het uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte referentievoertuigen, waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat zij ten tijde van de registratie (van de onderhavige auto’s) op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s te koop waren aangeboden. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite verminderingen.
Cijfermatige conclusie
4.16.
Indien wordt uitgegaan van de – onder 4.8 genoemde – handelsinkoopwaarden van auto’s 2 tot en met 5, dienen de naheffingen voor deze auto’s als volgt te worden berekend:
Auto 2: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 2 van € 46.530 en een handelsinkoopwaarde van € 25.601 bedraagt de afschrijving afgerond 44,98% (= (46.530 -/- 25.601)/46.530). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 121, € 3.811 (= (55,02% x 7.148) -/- 121), zodat de naheffing voor auto 2 moet worden vastgesteld op € 1.278 (= 3.811 -/- 2.533).
Auto 3: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 3 van € 35.848 en een handelsinkoopwaarde van € 16.296 bedraagt de afschrijving afgerond 54,55% (= (35.848 -/- 16.296)/35.848). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 86, € 4.778 (= (45,45% x 10.702) -/- 86), zodat de naheffing voor auto 3 moet worden vastgesteld op € 1.642 (= 4.778 -/- 3.136).
Auto 4: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 4 van € 35.848 en een handelsinkoopwaarde van € 16.342 bedraagt de afschrijving afgerond 54,42% (= (35.848 -/- 16.342)/35.848). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 86, € 4.791 (= (45,58% x 10.702) -/- 86), zodat de naheffing voor auto 4 moet worden vastgesteld op € 1.953 (= 4.791 -/- 2.838).
Auto 5: Uitgaande van een historische nieuwprijs van auto 5 van € 21.528 en een handelsinkoopwaarde van € 10.711 bedraagt de afschrijving afgerond 50,25% (= (21.528 -/- 10.711)/21.528). De door belanghebbende verschuldigde BPM bedraagt dan, rekening houdend met aftrek van de niet in geschil zijnde extra leeftijdskorting van € 48, € 3.003 (= (49,75% x 6.134) -/- 48), zodat de naheffing voor auto 5 moet worden vastgesteld op € 2.448 (= 3.003 -/- 555).
4.16.
Nu belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat de naheffingsaanslag voor het overige cijfermatig niet in geschil is, leidt het voorgaande tot de conclusie dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 12.084.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar vastgesteld op € 620. De Inspecteur had reeds bij uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding toegekend van € 403,50, die niet is vernietigd door de Rechtbank en, nu de Inspecteur niet in (incidenteel) hoger beroep is gekomen, is komen vast te staan. Voorts heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd tegen de door de Rechtbank voor de behandeling van het beroep vastgestelde kosten. Het Hof zal van het voorgaande uitgaan.
5.3.
De uitspraak van de Rechtbank is van na 1 januari 2024, zodat artikel 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) voor de hogerberoepsfase van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2025 en 25 april 2025, zodat het Hof bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase zal uitgaan van een vermenigvuldigingsfactor 0,25.
5.4.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x vermenigvuldigingsfactor 0,25 x € 934).
5.5.
Verder wordt opgemerkt dat voornoemd bedrag aan proceskosten en het griffierecht op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, behoudens voor zover deze betreft de toegekende proceskostenvergoeding,
– vermindert de naheffingsaanslag tot € 12.084,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 467, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2 en 2.4.3; HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
Vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.4.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.
Zie Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 4.2.3.
HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5.
Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
€ 2.435 (auto 1) + € 1.278 (auto 2) + € 1.642 (auto 3) + € 1.953 (auto 4) + € 2.448 (auto 5) + € 1.063 (auto 6) + € 1.265 (auto 7) = € 12.084.
HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.2