Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:5810

2026-07-17 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 24/2443
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 24/2443
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2026/1538

Inhoudsindicatie

BPM; artikel 10 Wet BPM; koerslijstmethode; beroep gegrond

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.936 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 24/2443



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,



en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.



De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 18 november 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 8.633 opgelegd.



De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.



De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon 1] en, namens de inspecteur, [persoon 2] en [persoon 3] .





Feiten



Belanghebbende heeft met dagtekening 2 juni 2022 aangifte voor de BPM gedaan voor een Audi SQ8 4.0 TDI Quattro (de auto) met als datum van eerste toelating 16 januari 2020.


In de aangifte is de te betalen BPM op basis van een taxatierapport van [bedrijf] berekend op € 10.653. De taxateur van belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 191.857. In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 81.357. De taxateur heeft de herstelkosten van de schade begroot op € 32.776, wat volgens hem leidt tot een waardevermindering van € 32.776 (100%). In de schadecalculatie is een negatieve correctie van € 525 meegenomen met als omschrijving “correctie conform autotelex Matrix” en een extra waardevermindering van € 3.800 vanwege “geen oordeel kilometerstand”. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 45.306.



3. De inspecteur heeft een bedrag van € 8.633 nageheven. Daarbij heeft de inspecteur zich gebaseerd op een onderzoek waardebepaling van [persoon 4] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ), van 21 juni 2022. Hierbij is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 185.166 op basis van een koerslijst van Autotelex, waarin voor de auto een uitstoot van 204 g/km is gehanteerd. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is vastgesteld op € 79.173 op basis van een koerslijst van Eurotax XchangeNet. DRZ heeft geen meer dan normale gebruiksschade geconstateerd.




Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de naheffingsaanslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

5. In geschil zijn:


de historische nieuwprijs;


de handelsinkoopwaarde;


het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU.



6. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Historische nieuwprijs


7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 191.857.

8. Deze beroepsgrond slaagt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op basis van de som van onder meer het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. De netto catalogusprijs is niet in geschil. De historische nieuwprijs moet daarom worden vastgesteld op € 191.857, rekening houdend met de uitstoot van de auto van 205 g/km.




Handelsinkoopwaarde


9. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade maar enkel van gebruikerssporen en verwijst ter onderbouwing naar het DRZ-rapport. Daarnaast moet de handelsinkoopwaarde volgens de inspecteur hoger worden vastgesteld omdat van een hogere historische nieuwprijs moet worden uitgegaan. De koerslijstwaarde kan niet één op één worden overgenomen als taxatiewaarde van het importvoertuig. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken wat de verschillen doen met de waarde van de auto.

10. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met schade rekening moet worden gehouden. Op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport is geen schade in de zin van meer dan normale gebruikssporen waar te nemen. Belanghebbende heeft verder niet concreet gesteld welke andere schade aanwezig zou zijn. Dat een onjuiste velg (21-inch in plaats van 22-inch) is gemonteerd, is niet aan te merken als schade. De taxatiemethode kan dus niet worden toegepast. De vraag of het schadeverleden en het ‘geen oordeel kilometerstand’ moeten leiden tot een waardevermindering hoeft daarom niet te worden beantwoord.

11. De rechtbank is verder van oordeel dat de blote stelling van de inspecteur dat een hogere CO2-uitstoot – leidend tot een hogere historische nieuwprijs – moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde, onvoldoende is om de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde ter zijde te schuiven. Bovendien voorziet de koerslijstmethode niet in de mogelijkheid om de handelsinkoopwaarde hoger vast te stellen.



Artikel 110 van het VWEU


12. Belanghebbende beroept zich op het discriminatieverbod van artikel 110 van het VWEU. Volgens haar zijn referentievoertuigen in Nederland geregistreerd met een lagere rest BPM. Uit de door haar toegevoegd tabel blijkt volgens belanghebbende dat de verschuldigde BPM voor de auto hoger uitvalt dan bij soortgelijke referentievoertuigen en daardoor is sprake van verboden discriminatie.

13. Voor een succesvol beroep op het discriminatieverbod moet belanghebbende aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto’s aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’) vergelijkbare vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en vergelijkbare schade in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en schade kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende.

14. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure voor de auto geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van referentievoertuigen in het nadere stuk van 25 juni 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Bovendien betreft het uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte referentievoertuigen waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat zij ten tijde van de registratie (van de onderhavige auto) op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s te koop waren aangeboden. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar bepleite verminderingen.



Conclusie handelsinkoopwaarde


15. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op € 79.173.



Hoogte naheffingsaanslag


16. De naheffingsaanslag dient op grond van het vorenstaande als volgt te worden verminderd.









Historische nieuwprijs


€ 191.857







Handelsinkoopwaarde


€ 79.173







Afschrijving


€ 112.684


















Bruto historische BPM


€ 45.115







Afschrijvingspercentage





58,7333%




Afschrijving


€ 26.498







Verschuldigde BPM


€ 18.617







Voldaan op aangifte


-/- € 10.653







Na te heffen


€ 7.964











Overschrijding van de redelijke termijn


17. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.

18. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.

19. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 7 november 2022 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en twintig maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met twintig maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 21 december 2023. Dit is acht maanden buiten de beslistermijn van zes maanden die geldt voor de inspecteur.

20. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 8/20e deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 12/20e deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 800 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.200 aan belanghebbende te betalen.




Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de naheffingsaanslag daarom verminderen tot € 7.964. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding.

22. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en stelt de te vergoeden proceskosten vast op € 3.200 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

23. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht vergoeden.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 7.964;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 800;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.200;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 17 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.


Vgl. Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.


Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4341.


Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.


ECLI:NL:HR:2016:252.