Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3426

2026-05-27 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/211
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Verzet
Zaaknummer
24/211
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uitspraak op verzet. Griffierecht niet (tijdig) betaald

Citeert (11)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.956 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/211
uitspraakdatum: 27 mei 2026



Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer




op het verzet van





[belanghebbende]
te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 18 november 2025 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 september 2023, nummer AWB 23/302, in het geding tussen belanghebbende



en



de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)



en



de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft voor de registratie van een op haar naam staande auto aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) gedaan en de volgens de aangifte verschuldigde BPM voldaan. Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend.


1.2.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en een vergoeding van immateriële schade van € 500 toegekend. Verder heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht vergoedt.


1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 18 november 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.


1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend en om een zitting verzocht.


1.5.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 14 april 2026 te Arnhem. Ter zitting is gehoord A.F.M.J. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende.





2Gronden van het verzet


2.1.
Volgens belanghebbende had het Hof, gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), het hoger beroep niet kennelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren wegens het niet betalen van het griffierecht. Belanghebbende stelt daartoe dat het Hof niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Voorts stelt belanghebbende dat het ontbreekt aan de ingevolge artikel 8:54 van de Awb vereiste kennelijkheid, en verder dat het heffen van griffierecht op straffe van verval van recht niet voldoet aan de wettelijke verplichting zoals bedoeld in artikel 52 van het Handvest en dat het heffen van griffierecht vooraf niet voldoet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.



2.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.





3Beoordeling van het verzet


3.1.
De eerste grief, dat het Hof niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen, slaagt niet omdat nationale rechters verplicht zijn het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat, dan wel te motiveren waarom hij dat niet doet. Voor het Hof geldt die verplichting niet. Het Hof ziet, gelet op het hierna genoemde arrest van de Hoge Raad, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.


3.2.

Het Hof wijst op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, waarin de Hoge Raad onder meer heeft overwogen:
‘3.1.3 (…) Uit het arrest Kantarev [Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C571/16, ECLI:EU:C:2018:807], kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).


3.1.4.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.’



3.3.
Het Hof ziet in het Unierecht geen aanleiding deze jurisprudentie van de Hoge Raad buiten beschouwing te laten.


3.4.
Nu belanghebbende het naar Nederlands recht voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan, geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht en ook overigens niets heeft aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat verschoonbaar niet is betaald, is het hoger beroep terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet van belanghebbende is ongegrond.





4Immateriële schadevergoeding


4.1.
Het hogerberoepschrift van belanghebbende is op 16 oktober 2023 bij het Hof binnengekomen. Belanghebbende heeft op 12 januari 2026 om een vergoeding van immateriële schade verzocht. De uitspraak van het Hof op het verzet van belanghebbende wordt heden gedaan. De redelijke termijn voor het hoger beroep bedraagt in dit geval twee jaar, zodat die termijn met meer dan zes, maar minder dan twaalf maanden is overschreden. Om voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking te komen, moet het financiële belang bij de procedure ten minste € 1.000 bedragen.



4.2.
Het financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waarover de belastingplichtige een procedure voert (fiscale beschikkingen). Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.



4.3
Belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep tot een teruggaaf van BPM geconcludeerd van (afgerond) € 3.000 van de op aangifte voldane BPM, omdat zij er in haar aangifte geen rekening mee heeft gehouden dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt.



4.4.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende deze stelling tegen beter weten inneemt, gelet op de afwijzende beslissing van de Hoge Raad hierover op 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, rechtsoverweging 2.3.5. De zaak heeft derhalve geen enkel financieel belang als hiervoor in 4.1 en 4.2 bedoeld. Omdat het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaat het Hof met de constatering dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep is overschreden.



Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het verzet van belanghebbende ongegrond.







5Proceskosten


Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof verklaart het verzet ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.



De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.




De griffier, De voorzitter,







(J.H. Riethorst) (M.M. Breij)



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.


Vgl. HvJ 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243.


Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.3.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.


Vgl. HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.