Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1574
2020-10-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/00143
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:1574 → ECLI:NL:GHARL:2019:10718
Inhoudsindicatie
Overschrijding redelijke termijn en art. 7:10, lid 4, letter b, Awb; instemming met verder uitstel is op zichzelf beschouwd geen bijzondere omstandigheid.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (36)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3246 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6402 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:20 Gerechtshof Den Haag 09-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7936 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2112 Gerechtshof Den Haag 25-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2002 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:10437 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1505 Gerechtshof Amsterdam 17-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:2510 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:937 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1029 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-02-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11826 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-12-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6586 Rechtbank Gelderland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6588 Rechtbank Gelderland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15110 Rechtbank Den Haag 09-12-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1407 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1365 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1191 Gerechtshof Den Haag 09-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1192 Gerechtshof Den Haag 09-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1192 Gerechtshof Den Haag 09-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:826 Hoge Raad 04-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1048 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1050 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1049 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:HR:2021:416 Hoge Raad 19-03-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:788 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-03-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:787 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:396 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:423 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-01-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4197 Rechtbank Noord-Nederland 03-12-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1672 Hoge Raad 23-10-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3443 Rechtbank Noord-Nederland 15-10-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3495 Rechtbank Noord-Nederland 15-10-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.993 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00143
Datum 9 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, nr. 17/00892, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/7707) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2Beoordeling van de middelen in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de middelen in het principale beroep over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
3.1
Het Hof heeft vastgesteld dat zijn uitspraak volgde ongeveer zes jaar na het instellen van bezwaar, en geoordeeld dat belanghebbendes instemming met verder uitstel van de beslissing als bedoeld in artikel 7:10, lid 4, Awb niet is aan te merken als een bijzondere omstandigheid die deze behandelduur rechtvaardigt.
3.2
Bij de beoordeling van het tegen dit oordeel gerichte middel stelt de Hoge Raad voorop dat voor verlenging van de redelijke termijn uitsluitend aanleiding kan zijn indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet.
3.3
Terecht is het Hof ervan uitgegaan dat de enkele instemming met verder uitstel – zonder dat een bijzondere omstandigheid als zo-even bedoeld daarvoor een rechtvaardiging biedt – de redelijke termijn niet verlengt. Het bestreden oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt.
4Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie in het incidentele beroep, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2020.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00143
Datum 9 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, nr. 17/00892, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/7707) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2Beoordeling van de middelen in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de middelen in het principale beroep over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
3.1
Het Hof heeft vastgesteld dat zijn uitspraak volgde ongeveer zes jaar na het instellen van bezwaar, en geoordeeld dat belanghebbendes instemming met verder uitstel van de beslissing als bedoeld in artikel 7:10, lid 4, Awb niet is aan te merken als een bijzondere omstandigheid die deze behandelduur rechtvaardigt.
3.2
Bij de beoordeling van het tegen dit oordeel gerichte middel stelt de Hoge Raad voorop dat voor verlenging van de redelijke termijn uitsluitend aanleiding kan zijn indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet.
3.3
Terecht is het Hof ervan uitgegaan dat de enkele instemming met verder uitstel – zonder dat een bijzondere omstandigheid als zo-even bedoeld daarvoor een rechtvaardiging biedt – de redelijke termijn niet verlengt. Het bestreden oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt.
4Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie in het incidentele beroep, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2020.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.