Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2020:14

2020-01-07 Strafrecht 18/05303
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2020-01-07
Publicatiedatum
2020-01-07
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
18/05303
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2020-0002 | NJ 2020/48 | RvdW 2020/143

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling en overtreding van art. 7.1 WVW 1994. Begrip ‘verkeersongeval’ a.b.i. art. 7.1 WVW 1994. Het middel berust o.m. op de opvatting van slechts kan worden gesproken van een ‘verkeersongeval’ in de zin van art. 7 WVW 1994 indien sprake is van “een botsing, een aan- of overrijding of een handeling ter voorkoming daarvan”. Die opvatting is te beperkt en daarom onjuist. Het oordeel van het Hof dat sprake is van een verkeersongeval is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof, blijkens de bewijsvoering, o.m. heeft vastgesteld dat op de openbare weg een persoon op de motorkap van de door verdachte bestuurde auto is terechtgekomen en verdachte met die persoon op de motorkap is doorgereden terwijl hij zijn snelheid heeft verhoogd en slingerende bewegingen heeft gemaakt, waardoor die persoon van de auto is gevallen en op het wegdek terecht is gekomen. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.593 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 18/05303

Datum 7 januari 2020




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 december 2018, nummer 21/007190-17, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.





1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het tweede middel

2.1
Het middel ziet op het onder 2 bewezenverklaarde en klaagt over het oordeel van het Hof dat sprake is van een ‘verkeersongeval’ in de zin van art. 7 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

2.2.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Utrecht op de [a-straat], op 10 februari 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel was toegebracht.”



2.2.2
De bewijsvoering waarop het Hof deze bewezenverklaring heeft doen steunen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1 en 4.2.



2.3

De in de bewezenverklaring voorkomende term ‘verkeersongeval’ moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 7 WVW 1994. Die bepaling luidt:
“1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.”



2.4
Het middel berust onder meer op de opvatting dat slechts dan kan worden gesproken van een ‘verkeersongeval’ in de zin van art. 7 WVW 1994 indien sprake is van “een botsing, een aan- of overrijding of een handeling ter voorkoming daarvan”. Die opvatting is te beperkt en daarom onjuist.


2.5
Het oordeel van het Hof dat sprake is van een verkeersongeval is niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het Hof, blijkens de bewijsvoering, onder meer heeft vastgesteld dat op de openbare weg een persoon op de motorkap van de door de verdachte bestuurde auto is terechtgekomen en de verdachte met die persoon op de motorkap is doorgereden terwijl hij zijn snelheid heeft verhoogd en slingerende bewegingen heeft gemaakt, waardoor die persoon van de auto is gevallen en op het wegdek terecht is gekomen.


2.6
Het middel faalt.




3Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2020.