Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1215
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:1215 → ECLI:NL:PHR:2020:100
Inhoudsindicatie
Verspreiden, verwerven, in bezit hebben van en zich toegang verschaffen tot kinderporno, meermalen gepleegd (art. 240b Sr). Bijzondere voorwaarde, art. 14c.2.14 Sr. Kon hof controle aan huis van digitale gegevens opleggen als bijzondere voorwaarde? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1968:AB6079, inhoudende dat bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2.14 Sr gedrag veroordeelde dient te betreffen, en uit ECLI:NL:HR:2016:302, inhoudende dat zo’n voorwaarde niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeenkomt met meewerken aan door politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. Door hof gestelde bijzondere voorwaarde, inhoudende dat veroordeelde ertoe gehouden is medewerking te verlenen aan huisbezoeken van en controles van digitale gegevensdragers door reclasserings- of politiemedewerkers, is in strijd met art. 14c.2.14 Sr omdat deze voorwaarde niet voldoet aan hiervoor weergegeven maatstaven. V.zv. hof met formuleren van dit gedragsvoorschrift zou hebben beoogd toezicht op naleving van andere bijzondere voorwaarde te regelen, heeft hof dat niet voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht, terwijl hof dan evenmin voldoende precies heeft geformuleerd dat onderzoek aan gegevensdragers (en daarmee verbonden verlenen van toegang tot woning en gegevensdragers) beperkt dient te blijven tot dat toezicht op naleving van die bijzondere voorwaarde en evenmin voldoende precies heeft geformuleerd op welke wijze dat onderzoek aan gegevensdragers mag worden uitgevoerd en welke functionarissen daarbij reclassering (technische) ondersteuning mogen bieden, teneinde te waarborgen dat persoonlijke levenssfeer van verdachte niet meer dan nodig voor het beoogde toezicht wordt beperkt. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. strafoplegging) en terugwijzing.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1968:AB6079 Hoge Raad 26-11-1968
- ECLI:NL:HR:2016:302 Hoge Raad 23-02-2016
Geciteerd door (72)
- ECLI:NL:GHARL:2026:1392 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:175 Parket bij de Hoge Raad 11-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1295 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1295 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1295 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1295 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1295 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1239 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1239 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1198 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1198 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1198 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1198 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1061 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1061 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:149 Parket bij de Hoge Raad 13-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2839 Gerechtshof Amsterdam 24-11-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6069 Rechtbank Gelderland 06-11-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3706 Rechtbank Midden-Nederland 20-07-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:1252 Rechtbank Overijssel 07-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:367 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2218 Rechtbank Limburg 29-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:256 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:256 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1763 Hoge Raad 29-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:915 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:915 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:915 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:915 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:915 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:6767 Rechtbank Limburg 05-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:616 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2022
- ECLI:NL:HR:2022:807 Hoge Raad 31-05-2022
- ECLI:NL:HR:2022:338 Hoge Raad 15-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:170 Parket bij de Hoge Raad 22-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:170 Parket bij de Hoge Raad 22-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:170 Parket bij de Hoge Raad 22-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:57 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:57 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:101 Rechtbank Midden-Nederland 19-01-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:21 Rechtbank Midden-Nederland 06-01-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5821 Rechtbank Midden-Nederland 30-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10329 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-10-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5184 Rechtbank Midden-Nederland 20-10-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:10441 Rechtbank Rotterdam 14-10-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1502 Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5510 Rechtbank Midden-Nederland 01-10-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:4785 Rechtbank Midden-Nederland 30-09-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1403 Hoge Raad 28-09-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3825 Rechtbank Noord-Nederland 31-08-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2767 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:663 Parket bij de Hoge Raad 29-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3066 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-06-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:6311 Rechtbank Rotterdam 16-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:698 Hoge Raad 11-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:469 Parket bij de Hoge Raad 07-05-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:1891 Rechtbank Overijssel 29-04-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1826 Rechtbank Noord-Nederland 29-04-2021
- ECLI:NL:HR:2021:498 Hoge Raad 06-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:569 Gerechtshof Den Haag 24-03-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (7.477 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 19/00282
Datum 7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 juni 2018, nummer 22/003538-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I. Jonkers, advocaat te Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat “de veroordeelde maximaal tweemaal per jaar in het kader van controle van zijn digitale gegevensdragers aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaft tot zijn woning, waarbij de veroordeelde dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking moet stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers. De veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.”, in zoverre tot zodanige op artikel 440 van het Wetboek van Strafvordering gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het middel klaagt dat het hof in strijd met artikel 14c lid 2 onder 14°, Sr in verbinding met 14d (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf heeft verbonden, die buiten het wettelijk kader valt.
3.2.1
Het hof heeft de verdachte wegens het verspreiden, verwerven, in bezit hebben en zich met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen van – kort gezegd – kinderporno, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren met bijzondere voorwaarden als in zijn uitspraak omschreven.
3.2.2
Bij de beoordeling in cassatie zijn in het bijzonder de volgende bijzondere voorwaarden die het hof heeft gesteld van belang ter beoordeling van het cassatiemiddel.
(i) “Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op welke wijze dan ook:- onthoudt van het op digitale wijze met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen/kinderen,- zich onthoudt van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen,- zich onthoudt van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met minderjarigen/kinderen wordt gecommuniceerd, terwijl het daarop uitgeoefende toezicht de afspraak omvat dat de veroordeelde geen wisprogramma’s op zijn digitale apparatuur mag hebben of gebruiken.”
En:
(ii) “Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde maximaal tweemaal per jaar in het kader van controle van zijn digitale gegevensdragers aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaft tot zijn woning, waarbij de veroordeelde dan op verzoek van de reclassering, al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking moet stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers. De veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.”
3.3.1
Het ten tijde van de bewezenverklaarde feiten toepasselijke wettelijk kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 19.
3.3.2
Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, lid 2 onder 14°, Sr dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. ten aanzien van artikel 14c, lid 2 onder 5° (oud), Sr, HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079).Zo’n voorwaarde dient voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift te formuleren. Zij kan niet geacht worden gedrag van de verdachte te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen (vgl.HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302).
3.4
De hiervoor onder (ii) door het hof gestelde bijzondere voorwaarde is in strijd met artikel 14c, lid 2 onder 14°, Sr omdat deze voorwaarde niet voldoet aan de hiervoor onder 3.3.2 weergegeven maatstaven.Voor zover het hof met het formuleren van dit gedragsvoorschrift zou hebben beoogd het toezicht op de naleving van de onder (i) weergegeven bijzondere voorwaarde te regelen, heeft het hof dat niet voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht, terwijl het hof dan evenmin voldoende precies heeft geformuleerd dat het onderzoek aan de gegevensdragers – en het daarmee verbonden verlenen van toegang tot de woning en de gegevensdragers – beperkt dient te blijven tot dat toezicht op de naleving van die bijzondere voorwaarde en evenmin voldoende precies heeft geformuleerd op welke wijze dat onderzoek aan de gegevensdragers mag worden uitgevoerd en welke functionarissen daarbij de reclassering (technische) ondersteuning mogen bieden, teneinde te waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet meer dan nodig voor het beoogde toezicht wordt beperkt.
3.5
Het middel slaagt.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2020.