Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1107
2020-06-26
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/00062
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:1107 → ECLI:NL:GHDHA:2018:4030
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid; artt. 36 en 49, lid 6, Invorderingswet 1990; art. 8:42 Awb; op de zaak betrekking hebbende stukken als aansprakelijkgestelde hoogte van aanslag wil betwisten
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:1182 Hoge Raad 23-05-2014
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4637 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1791 Rechtbank Noord-Nederland 12-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:226 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4267 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:839 Gerechtshof Den Haag 30-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:420 Parket bij de Hoge Raad 08-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1398 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6404 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6405 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:792 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:795 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:791 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:794 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22651 Rechtbank Den Haag 28-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:141 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:142 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:140 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6538 Rechtbank Gelderland 29-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1047 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:894 Parket bij de Hoge Raad 10-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1010 Gerechtshof Amsterdam 03-05-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1007 Gerechtshof Amsterdam 04-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1009 Gerechtshof Amsterdam 04-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1008 Gerechtshof Amsterdam 04-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1031 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1032 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1486 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:786 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:721 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-02-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5302 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-09-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2236 Gerechtshof Amsterdam 21-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6278 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3787 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:522 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:1543 Rechtbank Gelderland 29-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:214 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-01-2022
- ECLI:NL:HR:2021:1940 Hoge Raad 21-12-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6299 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-12-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:7008 Rechtbank Noord-Holland 20-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7345 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7345 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3569 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6033 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6036 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3168 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:5705 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3283 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3284 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8401 Rechtbank Noord-Holland 22-10-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4458 Rechtbank Gelderland 01-09-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.271 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00062
Datum 26 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2018, nr. BK-18/00661, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/1732) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor de van Coöperatie [A] U.A. nageheven omzetbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 en de in verband daarmee in rekening gebrachte heffingsrente, invorderingsrente en vervolgingskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Het gaat in deze zaak om de aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) van een bestuurder van een coöperatie voor bedragen die deze coöperatie is verschuldigd op grond van aan haar opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en daarbij gegeven beschikkingen. Belanghebbende heeft onder meer bezwaren ingebracht tegen de hoogte van het bedrag van de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.
2.2
Blijkens het in de uitspraak van het Hof aangehaalde verslag van een bij de coöperatie ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur tijdens dat onderzoek tot de administratie van de coöperatie te rekenen bescheiden ingezien. Het gaat onder meer om bankafschriften waarvan de Inspecteur kopieën bij de bank heeft opgevraagd, en kassabonnen, aan de hand van welke bescheiden de Inspecteur correcties heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft de Ontvanger verzocht hem inzage te geven in deze bescheiden, zodat hij aan de hand daarvan de juistheid van de naheffingsaanslagen kan beoordelen en zo nodig de hoogte van de aansprakelijkstelling kan bestrijden.
2.3
Voor het Hof heeft belanghebbende erover geklaagd dat deze informatie hem is onthouden. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende heeft gespecificeerd en, voor zover gespecificeerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat stukken ontbreken die specifiek betrekking hebben op belanghebbende in relatie tot de coöperatie en op de aan de coöperatie opgelegde naheffingsaanslagen. Hiertegen richt zich middel II.
2.4.1
Op grond van artikel 49, lid 6, IW 1990 is de ontvanger gehouden de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, voor zover die gegevens voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht. Deze informatieverplichting voor de ontvanger hangt ermee samen dat een rechtsmiddel tegen de aansprakelijkstellingsbeschikking zich (mede) kan richten tegen de hoogte van het bedrag van de aansprakelijkstelling en daarmee ook tegen de omvang van de belastingschuld die door de inspecteur is vastgesteld, voor zover de betrokkene daarvoor aansprakelijk is gesteld.
2.4.2
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is een bestuursorgaan gehouden alle stukken aan de bestuursrechter over te leggen die aan dat bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. In een geval als het onderhavige – een geschil over een aansprakelijkstelling – kunnen die geschilpunten, gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1 is overwogen, zowel betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de belanghebbende als op de omvang van de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Daarom is de ontvanger in een geval waarin (ook) de omvang van de belastingschuld waarvoor de belanghebbende aansprakelijk is gesteld, ter discussie staat, gehouden om aan de bestuursrechter ook de stukken over te leggen die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van een of meer geschilpunten met betrekking tot de omvang van de desbetreffende belastingschuld. Daaraan kan niet afdoen dat de ontvanger en de inspecteur afzonderlijke bestuursorganen zijn. Het geschil betreft immers het besluit van de ontvanger tot aansprakelijkstelling, dat door de aansprakelijkgestelde in al zijn facetten kan worden bestreden. Dat de ontvanger in dat verband de medewerking behoeft van de inspecteur, is een kwestie van interne organisatie binnen de Belastingdienst.
2.4.3
De hiervoor in 2.2 bedoelde bescheiden behoren tot de hiervoor in 2.4.1 bedoelde gegevens en de hiervoor in 2.4.2 bedoelde stukken. Dat wordt niet anders indien die bescheiden zich inmiddels niet meer onder de Inspecteur bevinden.
2.4.4
Uit de stukken van het geding volgt dat de Ontvanger, ondanks een daartoe door belanghebbende gedaan verzoek, die gegevens en stukken niet aan belanghebbende heeft verstrekt en evenmin aan de bestuursrechter heeft overgelegd. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, geeft het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het daartegen gerichte middel II slaagt dus.
2.5
Middel III is gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende als bestuurder van de coöperatie ernstig nalatig en onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Hof heeft aan dat oordeel mede ten grondslag gelegd zijn bevinding dat een flink aantal boekingen van voorbelasting niet is gebaseerd op deugdelijke bescheiden. In verband met hetgeen hiervoor in 2.4.1 en 2.4.4 is overwogen, slaagt ook middel III.
2.6
Middel I kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.4 en 2.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 259, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.
Kamerstukken II 2001/02, 28 183, nr. 3, blz. 2, 4 en 5.
Kamerstukken II 2001/02, 28 183, nr. 3, blz. 4.
Vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, rechtsoverweging 3.3.2.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00062
Datum 26 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2018, nr. BK-18/00661, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/1732) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor de van Coöperatie [A] U.A. nageheven omzetbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 en de in verband daarmee in rekening gebrachte heffingsrente, invorderingsrente en vervolgingskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Het gaat in deze zaak om de aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) van een bestuurder van een coöperatie voor bedragen die deze coöperatie is verschuldigd op grond van aan haar opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en daarbij gegeven beschikkingen. Belanghebbende heeft onder meer bezwaren ingebracht tegen de hoogte van het bedrag van de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.
2.2
Blijkens het in de uitspraak van het Hof aangehaalde verslag van een bij de coöperatie ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur tijdens dat onderzoek tot de administratie van de coöperatie te rekenen bescheiden ingezien. Het gaat onder meer om bankafschriften waarvan de Inspecteur kopieën bij de bank heeft opgevraagd, en kassabonnen, aan de hand van welke bescheiden de Inspecteur correcties heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft de Ontvanger verzocht hem inzage te geven in deze bescheiden, zodat hij aan de hand daarvan de juistheid van de naheffingsaanslagen kan beoordelen en zo nodig de hoogte van de aansprakelijkstelling kan bestrijden.
2.3
Voor het Hof heeft belanghebbende erover geklaagd dat deze informatie hem is onthouden. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende heeft gespecificeerd en, voor zover gespecificeerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat stukken ontbreken die specifiek betrekking hebben op belanghebbende in relatie tot de coöperatie en op de aan de coöperatie opgelegde naheffingsaanslagen. Hiertegen richt zich middel II.
2.4.1
Op grond van artikel 49, lid 6, IW 1990 is de ontvanger gehouden de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, voor zover die gegevens voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht. Deze informatieverplichting voor de ontvanger hangt ermee samen dat een rechtsmiddel tegen de aansprakelijkstellingsbeschikking zich (mede) kan richten tegen de hoogte van het bedrag van de aansprakelijkstelling en daarmee ook tegen de omvang van de belastingschuld die door de inspecteur is vastgesteld, voor zover de betrokkene daarvoor aansprakelijk is gesteld.
2.4.2
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is een bestuursorgaan gehouden alle stukken aan de bestuursrechter over te leggen die aan dat bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. In een geval als het onderhavige – een geschil over een aansprakelijkstelling – kunnen die geschilpunten, gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1 is overwogen, zowel betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de belanghebbende als op de omvang van de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Daarom is de ontvanger in een geval waarin (ook) de omvang van de belastingschuld waarvoor de belanghebbende aansprakelijk is gesteld, ter discussie staat, gehouden om aan de bestuursrechter ook de stukken over te leggen die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van een of meer geschilpunten met betrekking tot de omvang van de desbetreffende belastingschuld. Daaraan kan niet afdoen dat de ontvanger en de inspecteur afzonderlijke bestuursorganen zijn. Het geschil betreft immers het besluit van de ontvanger tot aansprakelijkstelling, dat door de aansprakelijkgestelde in al zijn facetten kan worden bestreden. Dat de ontvanger in dat verband de medewerking behoeft van de inspecteur, is een kwestie van interne organisatie binnen de Belastingdienst.
2.4.3
De hiervoor in 2.2 bedoelde bescheiden behoren tot de hiervoor in 2.4.1 bedoelde gegevens en de hiervoor in 2.4.2 bedoelde stukken. Dat wordt niet anders indien die bescheiden zich inmiddels niet meer onder de Inspecteur bevinden.
2.4.4
Uit de stukken van het geding volgt dat de Ontvanger, ondanks een daartoe door belanghebbende gedaan verzoek, die gegevens en stukken niet aan belanghebbende heeft verstrekt en evenmin aan de bestuursrechter heeft overgelegd. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, geeft het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het daartegen gerichte middel II slaagt dus.
2.5
Middel III is gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende als bestuurder van de coöperatie ernstig nalatig en onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Hof heeft aan dat oordeel mede ten grondslag gelegd zijn bevinding dat een flink aantal boekingen van voorbelasting niet is gebaseerd op deugdelijke bescheiden. In verband met hetgeen hiervoor in 2.4.1 en 2.4.4 is overwogen, slaagt ook middel III.
2.6
Middel I kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.4 en 2.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 259, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.
Kamerstukken II 2001/02, 28 183, nr. 3, blz. 2, 4 en 5.
Kamerstukken II 2001/02, 28 183, nr. 3, blz. 4.
Vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, rechtsoverweging 3.3.2.