Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:1182
2014-05-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/01827
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:1182 → ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7471 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 8:42 en art. 8:31 Awb; vormt een controlerapport van een bij een derde gehouden boekenonderzoek een op de zaak betrekking hebbend stuk?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:29 Hoge Raad 12-07-2013
Geciteerd door (140)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1846 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1852 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1794 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1890 Gerechtshof Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:808 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:664 Rechtbank Noord-Holland 15-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2326 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1919 Gerechtshof Den Haag 07-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1403 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-05-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:810 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1480 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:811 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4093 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4092 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2284 Gerechtshof Amsterdam 20-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3682 Rechtbank Noord-Holland 15-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3682 Rechtbank Noord-Holland 15-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3703 Rechtbank Noord-Holland 11-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3703 Rechtbank Noord-Holland 11-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3172 Rechtbank Noord-Holland 02-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3170 Rechtbank Noord-Holland 02-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3172 Rechtbank Noord-Holland 02-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3170 Rechtbank Noord-Holland 02-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4252 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:12464 Rechtbank Rotterdam 18-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12861 Rechtbank Noord-Holland 15-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12465 Rechtbank Noord-Holland 05-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10490 Rechtbank Rotterdam 13-11-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4244 Rechtbank Gelderland 25-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6247 Rechtbank Noord-Holland 04-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6241 Rechtbank Noord-Holland 04-07-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:808 Gerechtshof Amsterdam 16-02-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:9255 Rechtbank Noord-Holland 07-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7911 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4717 Rechtbank Noord-Holland 02-06-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4717 Rechtbank Noord-Holland 02-06-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4719 Rechtbank Noord-Holland 02-06-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4719 Rechtbank Noord-Holland 02-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:508 Rechtbank Noord-Holland 26-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3912 Gerechtshof Amsterdam 14-12-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2941 Centrale Raad van Beroep 25-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3397 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9990 Rechtbank Noord-Holland 04-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1985 Gerechtshof Den Haag 30-09-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1983 Gerechtshof Den Haag 30-09-2021
- ECLI:NL:HR:2021:995 Hoge Raad 25-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:995 Hoge Raad 25-06-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5128 Rechtbank Noord-Holland 23-06-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2020:6764 Rechtbank Gelderland 22-12-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:9074 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.205 tekens)
23 mei 2014
nr. 12/01827
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 februari 2012, nr. 08/01177, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is op 15 januari 2007 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 08/930) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet tekort is geschoten in zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb over te leggen.
Wat betreft een controlerapport van een bij [B] B.V. (hierna: [B]) verricht boekenonderzoek, gedaan door de inspecteur van de Belastingdienst/[Q], heeft het Hof overwogen dat de Inspecteur, zijnde inspecteur van Belastingdienst/[P], niet over dat controlerapport beschikt en een inspecteur niet is gehouden stukken over te leggen die niet in zijn bezit zijn.
Met betrekking tot het strafdossier en de desbetreffende cd-rom heeft het Hof overwogen dat partijen kennelijk van oordeel waren dat de informatie op de cd-rom en het strafdossier slechts ten dele tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoorden, dat belanghebbende niet reeds voor de Rechtbank heeft gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, en dat belanghebbende evenmin de Rechtbank heeft verzocht om overlegging door de Inspecteur van bepaalde stukken.
3.2.
De middelen IV en V richten zich met rechtsklachten en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.1 omschreven oordelen van het Hof.
3.3.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient een inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. Die verplichting gaat in het algemeen niet zo ver dat een inspecteur gehouden is bewijsstukken in te brengen die ten grondslag liggen aan een onderzoeksrapport dat bij zijn besluitvorming een rol heeft gespeeld, maar die hem niet ter beschikking hebben gestaan (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29, BNB 2013/226).
3.3.2.
Het onderhavige aanslagbiljet vermeldt:
“Uit onderzoek van de Belastingdienst/[Q], notitie met bijlagen d.d. 9 september 2005, is gebleken dat u voor de intracommunautaire verwerving in 2004 van een pleziervaartuig uit Italië, merk (…), geen omzetbelasting (BTW) heeft betaald”.
Het Hof heeft geoordeeld dat de stukken van het geding geen gegevens of aanwijzingen bevatten waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur wel zou beschikken over het door de Belastingdienst/ [Q] opgemaakte controlerapport van het bij [B] verrichte boekenonderzoek. Reeds omdat de Inspecteur niet gehouden is stukken over te leggen die niet in zijn bezit zijn, vormt naar het oordeel van het Hof het desbetreffende controlerapport niet een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb.
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Hof niet mocht volstaan met de vaststelling dat de Inspecteur het desbetreffende controlerapport niet in bezit heeft. Die vaststelling laat open de mogelijkheid dat het controlerapport de Inspecteur wel ter beschikking stond toen hij de aanslag regelde. Zoals uit het hiervoor in 3.3.1 overwogene volgt, behoort een aan de inspecteur ter beschikking staand dan wel ter beschikking gestaan hebbend controlerapport, waarop hij zijn beslissing tot het opleggen van een belastingaanslag (mede) heeft gebaseerd, tot de stukken die de inspecteur in het geding moet brengen. Van een zodanig op de zaak betrekking hebbend stuk is mede sprake indien, zoals voor het Hof gesteld, een rapport als het onderhavige is opgesteld door een ambtenaar die behoort tot een ander organisatieonderdeel van de belastingdienst dan dat van de inspecteur.
Middel IV slaagt derhalve.
3.3.3.
Middel V betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet is tekortgeschoten in zijn verplichting om de op zaak betrekking hebbende stukken over te leggen door niet de hiervoor in 3.1 vermelde, in zijn bezit zijnde cd-rom en delen van het strafdossier over te leggen. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. De verplichting ingevolge artikel 8:42 Awb om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen geldt ongeacht of de belanghebbende gebaat is bij het overleggen van de desbetreffende stukken of dat de belanghebbende is geschaad in zijn belangen indien deze stukken niet worden overgelegd. Evenmin is van belang of de belanghebbende bij de rechtbank heeft verzocht om overlegging van die stukken. Het staat een belanghebbende vrij zich in hoger beroep alsnog op het bepaalde in artikel 8:42 Awb te beroepen.
Het hiervoor in 3.1, derde alinea, omschreven oordeel van het Hof berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Middel V slaagt in zoverre.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen I tot en met III en middel V voor het overige behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek in volle omvang.
Opmerking verdient dat indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat het controlerapport dat is opgemaakt van het bij [B] verrichte boekenonderzoek niet op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb moet worden overgelegd, het verwijzingshof overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:45 Awb de bevoegdheid heeft degene onder wie dit rapport berust, te verzoeken dit in te zenden.
Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat de Inspecteur de hiervoor in 3.3.2 en/of in 3.3.3 vermelde stukken alsnog dient over te leggen, staat het aan dat hof om aan de eventuele niet-nakoming van deze verplichting na afweging van alle belangen met toepassing van artikel 8:31 Awb de gevolgen te verbinden die het passend oordeelt.
4Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 232, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman, en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.
nr. 12/01827
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 februari 2012, nr. 08/01177, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is op 15 januari 2007 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 08/930) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet tekort is geschoten in zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb over te leggen.
Wat betreft een controlerapport van een bij [B] B.V. (hierna: [B]) verricht boekenonderzoek, gedaan door de inspecteur van de Belastingdienst/[Q], heeft het Hof overwogen dat de Inspecteur, zijnde inspecteur van Belastingdienst/[P], niet over dat controlerapport beschikt en een inspecteur niet is gehouden stukken over te leggen die niet in zijn bezit zijn.
Met betrekking tot het strafdossier en de desbetreffende cd-rom heeft het Hof overwogen dat partijen kennelijk van oordeel waren dat de informatie op de cd-rom en het strafdossier slechts ten dele tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoorden, dat belanghebbende niet reeds voor de Rechtbank heeft gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, en dat belanghebbende evenmin de Rechtbank heeft verzocht om overlegging door de Inspecteur van bepaalde stukken.
3.2.
De middelen IV en V richten zich met rechtsklachten en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.1 omschreven oordelen van het Hof.
3.3.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient een inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. Die verplichting gaat in het algemeen niet zo ver dat een inspecteur gehouden is bewijsstukken in te brengen die ten grondslag liggen aan een onderzoeksrapport dat bij zijn besluitvorming een rol heeft gespeeld, maar die hem niet ter beschikking hebben gestaan (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29, BNB 2013/226).
3.3.2.
Het onderhavige aanslagbiljet vermeldt:
“Uit onderzoek van de Belastingdienst/[Q], notitie met bijlagen d.d. 9 september 2005, is gebleken dat u voor de intracommunautaire verwerving in 2004 van een pleziervaartuig uit Italië, merk (…), geen omzetbelasting (BTW) heeft betaald”.
Het Hof heeft geoordeeld dat de stukken van het geding geen gegevens of aanwijzingen bevatten waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur wel zou beschikken over het door de Belastingdienst/ [Q] opgemaakte controlerapport van het bij [B] verrichte boekenonderzoek. Reeds omdat de Inspecteur niet gehouden is stukken over te leggen die niet in zijn bezit zijn, vormt naar het oordeel van het Hof het desbetreffende controlerapport niet een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb.
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Hof niet mocht volstaan met de vaststelling dat de Inspecteur het desbetreffende controlerapport niet in bezit heeft. Die vaststelling laat open de mogelijkheid dat het controlerapport de Inspecteur wel ter beschikking stond toen hij de aanslag regelde. Zoals uit het hiervoor in 3.3.1 overwogene volgt, behoort een aan de inspecteur ter beschikking staand dan wel ter beschikking gestaan hebbend controlerapport, waarop hij zijn beslissing tot het opleggen van een belastingaanslag (mede) heeft gebaseerd, tot de stukken die de inspecteur in het geding moet brengen. Van een zodanig op de zaak betrekking hebbend stuk is mede sprake indien, zoals voor het Hof gesteld, een rapport als het onderhavige is opgesteld door een ambtenaar die behoort tot een ander organisatieonderdeel van de belastingdienst dan dat van de inspecteur.
Middel IV slaagt derhalve.
3.3.3.
Middel V betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet is tekortgeschoten in zijn verplichting om de op zaak betrekking hebbende stukken over te leggen door niet de hiervoor in 3.1 vermelde, in zijn bezit zijnde cd-rom en delen van het strafdossier over te leggen. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. De verplichting ingevolge artikel 8:42 Awb om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen geldt ongeacht of de belanghebbende gebaat is bij het overleggen van de desbetreffende stukken of dat de belanghebbende is geschaad in zijn belangen indien deze stukken niet worden overgelegd. Evenmin is van belang of de belanghebbende bij de rechtbank heeft verzocht om overlegging van die stukken. Het staat een belanghebbende vrij zich in hoger beroep alsnog op het bepaalde in artikel 8:42 Awb te beroepen.
Het hiervoor in 3.1, derde alinea, omschreven oordeel van het Hof berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Middel V slaagt in zoverre.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen I tot en met III en middel V voor het overige behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek in volle omvang.
Opmerking verdient dat indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat het controlerapport dat is opgemaakt van het bij [B] verrichte boekenonderzoek niet op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb moet worden overgelegd, het verwijzingshof overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:45 Awb de bevoegdheid heeft degene onder wie dit rapport berust, te verzoeken dit in te zenden.
Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat de Inspecteur de hiervoor in 3.3.2 en/of in 3.3.3 vermelde stukken alsnog dient over te leggen, staat het aan dat hof om aan de eventuele niet-nakoming van deze verplichting na afweging van alle belangen met toepassing van artikel 8:31 Awb de gevolgen te verbinden die het passend oordeelt.
4Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 232, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman, en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.