Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:654

2019-04-23 Strafrecht 16/03365
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-04-23
Publicatiedatum
2019-04-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
16/03365
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/577 | SR-Updates.nl 2019-0221

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr) en samen met anderen zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor, meermalen gepleegd (art. 3 Wet inzake de geldtransactiekantoren). Vervolg op tussenarrest ECLI:NL:HR:2019:79. 1. Hof heeft t.a.v. bewijsvoering acht geslagen op uittreksel justitiële documentatie dat niet ttz. is voorgelezen en waarvan korte inhoud niet is medegedeeld. 2. Bewijsklacht witwassen. Wetenschap dat geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. 3. HR ambtshalve: Verjaring werkzaam zijn als geldtransactiekantoor. Ad 1. en 2. HR: art. 81.1 RO. Ad 3. HR: Op grond van hetgeen is vermeld in CAG is feit verjaard. CAG: Recht tot strafvordering vervalt 2 maal 6 jaren nadat oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen, terwijl feit is begaan in periode van 1-10-2006 tot en met 17-4-2007 (niet beschouwd als voortdurend delict). Feit is op 18-4-2019 volledig verjaard. Volgt partiële vernietiging, partiële n-o verklaring OvJ in vervolging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging.

Citeert (1)

Geciteerd door (3)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.044 tekens)
23 april 2019
Strafkamer
nr. S 16/03365



Hoge Raad der Nederlanden




Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juni 2016, nummer 22/002057-08, in de strafzaak tegen:



[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.




1Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.


1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:79, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.


1.3.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad passend voorkomt.





2Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.




3Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.
Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde feit is verjaard.



3.2.
De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.





4Beoordeling van het vierde middel
Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.
5. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde;


wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2019.