Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:575
2019-04-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
18/04652
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:575 → ECLI:NL:GHARL:2018:7024 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:575 → ECLI:NL:PHR:2019:107 gevolgd
- verwijzing ECLI:NL:GHSHE:2019:3511 → ECLI:NL:HR:2019:575
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Machtiging tot uithuisplaatsing. Recht op contra-expertise, art. 810a lid 2 Rv. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:2632 Hoge Raad 05-09-2014
Geciteerd door (82)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3448 Rechtbank Midden-Nederland 20-05-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3661 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1481 Gerechtshof Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:796 Gerechtshof Den Haag 01-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:6451 Rechtbank Noord-Holland 24-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:6453 Rechtbank Noord-Holland 24-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:801 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:639 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1970 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1970 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1890 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:549 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:549 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:874 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:874 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:72 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:72 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:72 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:72 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:72 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1119 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1119 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1119 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1071 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1044 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1054 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1054 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:812 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1734 Gerechtshof Den Haag 07-09-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2974 Rechtbank Midden-Nederland 08-07-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:679 Gerechtshof Den Haag 13-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:264 Parket bij de Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:264 Parket bij de Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:208 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-01-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:208 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1229 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1229 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1085 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3385 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2036 Gerechtshof Den Haag 20-10-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1925 Gerechtshof Amsterdam 29-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:887 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:887 Hoge Raad 11-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:564 Parket bij de Hoge Raad 04-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:564 Parket bij de Hoge Raad 04-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:283 Parket bij de Hoge Raad 19-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:283 Parket bij de Hoge Raad 19-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:283 Parket bij de Hoge Raad 19-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:263 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:267 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:267 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:267 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:128 Parket bij de Hoge Raad 12-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1185 Parket bij de Hoge Raad 11-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1185 Parket bij de Hoge Raad 11-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1185 Parket bij de Hoge Raad 11-12-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (7.608 tekens)
12 april 2019
Eerste Kamer
18/04652
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] ,wonende op een geheim adres,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R.W. Keus, thans mr. J.P. van den Berg,
t e g e n
STICHTING JEUGDBESCHERMING OVERIJSSEL,gevestigd te Zwolle,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de GI.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/08/209553 / JE RK 17-1878 van de rechtbank Overijssel van 6 december 2017 en 14 februari 2018;
b. de beschikking in de zaak 200.236.876 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 augustus 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De GI heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn twee dochters geboren (hierna gezamenlijk: de kinderen). De oudste dochter is geboren in [geboortemaand] 2014, de jongste in [geboortemaand] 2016.
(ii) De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
(iii) De kinderen zijn onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (hierna: de GI) en uit huis geplaatst.
3.2.1
De GI heeft in deze procedure verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Zij heeft de resultaten in het geding gebracht van een bij de moeder afgenomen persoonlijkheidsonderzoek en heeft zich op het standpunt gesteld dat het perspectief van de kinderen binnen de pleeggezinnen ligt. De kinderrechter heeft overwogen dat een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder niet mogelijk is en heeft de verzoeken van de GI toegewezen.
3.2.2
De moeder heeft hoger beroep ingesteld en heeft onder meer verzocht een nader onderzoek door een deskundige te gelasten op de voet van art. 810a lid 2 Rv. De GI heeft onder verwijzing naar het hiervoor in 3.2.1 genoemde persoonlijkheidsonderzoek aangevoerd dat verder onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“5.5 Het hof acht zich op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.”
3.3.1
Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Volgens het middel heeft het hof (in rov. 5.5) miskend dat een dergelijk verzoek niet kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich voldoende voorgelicht acht.
3.3.2
Art. 810a lid 2 Rv bepaalt, voor zover thans van belang, dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
3.3.3
Met het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv is beoogd te bevorderen dat ouders van een minderjarige een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, rov. 3.3.2). Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling.
Art. 810a lid 2 Rv spreekt weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook vallen zaken als de onderhavige, waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio vanart. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.
3.3.4
In de hiervoor in 3.3.3 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“3.3.3 Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
3.4 (…)
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.”
3.3.5
Uit het hiervoor in 3.3.3 en 3.3.4 overwogene volgt dat het hof had moeten onderzoeken of het op art. 810a lid 2 Rv gebaseerde verzoek van de moeder voldoende concreet en ter zake dienend was, en zo ja, of het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzette. Nu uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat het hof dit onderzoek heeft verricht en het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft volstaan met de overweging dat het zich “voldoende voorgelicht” achtte, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is dus gegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 augustus 2018;
verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 april 2019.
Eerste Kamer
18/04652
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] ,wonende op een geheim adres,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R.W. Keus, thans mr. J.P. van den Berg,
t e g e n
STICHTING JEUGDBESCHERMING OVERIJSSEL,gevestigd te Zwolle,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de GI.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/08/209553 / JE RK 17-1878 van de rechtbank Overijssel van 6 december 2017 en 14 februari 2018;
b. de beschikking in de zaak 200.236.876 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 augustus 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De GI heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn twee dochters geboren (hierna gezamenlijk: de kinderen). De oudste dochter is geboren in [geboortemaand] 2014, de jongste in [geboortemaand] 2016.
(ii) De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
(iii) De kinderen zijn onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (hierna: de GI) en uit huis geplaatst.
3.2.1
De GI heeft in deze procedure verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Zij heeft de resultaten in het geding gebracht van een bij de moeder afgenomen persoonlijkheidsonderzoek en heeft zich op het standpunt gesteld dat het perspectief van de kinderen binnen de pleeggezinnen ligt. De kinderrechter heeft overwogen dat een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder niet mogelijk is en heeft de verzoeken van de GI toegewezen.
3.2.2
De moeder heeft hoger beroep ingesteld en heeft onder meer verzocht een nader onderzoek door een deskundige te gelasten op de voet van art. 810a lid 2 Rv. De GI heeft onder verwijzing naar het hiervoor in 3.2.1 genoemde persoonlijkheidsonderzoek aangevoerd dat verder onderzoek niet noodzakelijk is. Het hof heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“5.5 Het hof acht zich op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.”
3.3.1
Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Volgens het middel heeft het hof (in rov. 5.5) miskend dat een dergelijk verzoek niet kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich voldoende voorgelicht acht.
3.3.2
Art. 810a lid 2 Rv bepaalt, voor zover thans van belang, dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
3.3.3
Met het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv is beoogd te bevorderen dat ouders van een minderjarige een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, rov. 3.3.2). Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling.
Art. 810a lid 2 Rv spreekt weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook vallen zaken als de onderhavige, waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio vanart. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.
3.3.4
In de hiervoor in 3.3.3 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“3.3.3 Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
3.4 (…)
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.”
3.3.5
Uit het hiervoor in 3.3.3 en 3.3.4 overwogene volgt dat het hof had moeten onderzoeken of het op art. 810a lid 2 Rv gebaseerde verzoek van de moeder voldoende concreet en ter zake dienend was, en zo ja, of het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzette. Nu uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat het hof dit onderzoek heeft verricht en het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft volstaan met de overweging dat het zich “voldoende voorgelicht” achtte, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is dus gegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 augustus 2018;
verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 april 2019.