Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3661

2025-12-18 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.359.192_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-12-18
Publicatiedatum
2025-12-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.359.192_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging verlenging uithuisplaatsing. De ouders kunnen door hun beperkingen niet zelfstandig functioneren en de minderjarige niet de verzorging en opvoeding bieden die hij nodig heeft. Afwijzing verzoek artikel 810a Rv-onderzoek.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.589 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak : 18 december 2025
Zaaknummer : 200.359.192/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/341636 / JE RK 25-787



in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
en


[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder respectievelijk de vader, samen de ouders,
advocaat: mr. L. Proenings,



tegen




de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).



Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),
geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .



Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:




Familie [de pleegouders] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 1 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.






2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2025, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor wat betreft de door de ouders aangehaalde grieven en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen en een onderzoek te gelasten ex artikel 810 Rv naar de (on)mogelijkheden van de ouders om zelf voor [minderjarige] te zorgen, alsmede naar de mogelijkheden en voorwaarden voor terugplaatsing van [minderjarige] .



2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 november 2025, heeft de GI verzocht het door de ouders ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. Proenings;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de pleegouders.


2.3.1.
Het hof heeft [begeleidster] , begeleidster van de ouders van [instantie 1] , als toehoorder bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling in hoger beroep verleend.



2.3.2.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen.




2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 juni 2025;


het V6-formulier met als bijlagen producties 10 t/m 13, ingediend door de advocaat van de ouders op 17 november 2025.







3De beoordeling



De feiten




3.1.

Uit de affectieve relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .




3.2.
Bij beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, [minderjarige] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van één jaar verleend.



3.3.

[minderjarige] verblijft sinds 4 juni 2024 bij de pleegouders, eerst op vrijwillige basis en later op basis van de machtiging uithuisplaatsing.



De procedure in eerste aanleg





3.4.
De GI heeft in eerste aanleg de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.



3.5.
De ouders hebben hiertegen verweer gevoerd en de rechtbank verzocht de verzoeken van de GI af te wijzen en een onderzoek te gelasten (ex artikel 810 Rv) naar de (on)mogelijkheden van de ouders om zelf voor [minderjarige] te zorgen, alsmede naar de mogelijkheden en voorwaarden voor terugplaatsing van [minderjarige] .



3.6.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] alsmede de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in voorziening voor pleegzorg verlengd tot 3 juli 2026.
Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de ouders om een nader onderzoek op grond van artikel 810a Rv te gelasten, afgewezen.




De procedure in hoger beroep





3.7.
De ouders kunnen zich met de beslissing van de rechtbank – voor zover de rechtbank daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en het verzoek van de ouders om een 810a Rv onderzoek heeft afgewezen – niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.



De standpunten





Verlenging uithuisplaatsing





3.8.

De ouders voeren samengevat het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan alleen worden verleend als de nagestreefde doelen niet bereikt kunnen worden als het kind bij zijn/haar ouders blijft wonen. De ouders hebben echter nooit een eerlijke kans gekregen. De doelen zijn bij de ouders nooit bekend geweest. De ouders hebben van de GI bijna een jaar te laat het plan van aanpak van de ondertoezichtstelling ontvangen. Ook staat dit plan van aanpak vol feitelijke onjuistheden. De GI heeft daarnaast begin oktober 2024, dus kort na de start van de ondertoezichtstelling, al intern besloten dat een thuisplaatsing van [minderjarige] niet meer aan de orde is. Ook heeft de GI in het eerste jaar van de ondertoezichtstelling geen hulpverlening ingezet, enkel de omgangsbegeleiding is voortgezet. Bovendien hebben de ouders pas in april 2025 een brief over het perspectief van [minderjarige] ontvangen. De ouders worden door de GI niet serieus genomen en betrokken ondanks dat zij nog steeds met het gezag over [minderjarige] zijn belast.
De rechtbank heeft verder ten onrechte gesteld dat de situatie het afgelopen jaar niet is verbeterd. Dat is in strijd met de latere conclusie van de rechtbank dat de omgangsmomenten vrij positief verlopen en dat de ouders inmiddels kunnen aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De ouders hebben over de periode van ruim een jaar omgangsverslagen overgelegd. Hieruit volgt over het algemeen dat de ouders het heel goed deden én doen met [minderjarige] . Echter, worden deze verslagen door de GI vanuit wantrouwen bekeken en negatief uitgelegd. De ouders hebben op dit moment weer iedere week tegelijkertijd begeleide omgang met [minderjarige] gedurende twee uur. In december wordt geëvalueerd of de omgang verder kan worden uitgebreid.
Ook constateert de rechtbank ten onrechte dat de beperking van ouders maakt dat hun leerbaarheid ten aanzien van het vormgeven van opvoedingstaken en het responsief en sensitief handelen jegens [minderjarige] beperkt is. Hierbij is ten onrechte afgegaan op wat de mentor van de ouders hierover heeft verklaard. De ouders hebben in eerste aanleg al herhaaldelijk aangegeven dat er door de GI en de betrokken hulpverlening ten onrechte de nadruk wordt gelegd op diagnoses van de ouders of op de onderzoeken die (tientallen) jaren geleden hebben plaatsgevonden. De moeder heeft ook een e-mail overgelegd waaruit volgt dat haar dossier bij [instantie 2] (dat is [instantie 3] ) is verwijderd. Daarmee zijn er dus geen gegevens meer aanwezig die deze informatie ondersteunen. De GI kan daarop geen beroep meer doen. Er wordt ten onrechte aangenomen dat het een aantal maanden duurt voordat zaken bij de ouders beklijven. Dit komt niet overeen met hetgeen is vermeld in de verslagen van het moeder-kindhuis. De rechtbank concludeert daarom ten onrechte dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat een thuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment (ook niet in een setting waarin veel begeleiding aanwezig is) in zijn belang zou zijn. Overigens staat de moeder inmiddels op een wachtlijst voor een nieuw psychologisch onderzoek. De moeder heeft in de afgelopen jaren een ontwikkeling doorgemaakt; de eerder toegekende indicatie krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) VG7 (voor 24-uurs zorg) is daarom volgens haar niet meer terecht. De moeder woont inmiddels al een langere tijd ambulant, waarbij zij af en toe bezoek krijgt van een ambulant begeleider. Er is dus geen sprake van een besloten 24-uurs setting.
De mentoren van de ouders zijn door de advocaat van de ouders niet geraadpleegd over deze procedure in hoger beroep, omdat de ouders belast zijn met het gezag over [minderjarige] . De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling – desgevraagd door het hof – verklaard dat zij op dit moment niet over een geschikte woning beschikken waar [minderjarige] , in het geval van een terugplaatsing, zou kunnen wonen. De ouders zijn – in samenspraak met de mentoren bezig – om samenwoning binnen [instantie 4] of binnen een andere instelling te realiseren.




Verzoek om een 810a Rv onderzoek




3.8.1.

Ook kunnen de ouders zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er op dit moment geen aanleiding is voor een contra-expertise, zoals door hen verzocht. Hier is wel degelijk aanleiding toe, vanwege ‘equality of arms’. De GI heeft begin oktober 2024, kort na de start van de ondertoezichtstelling en nog voordat er een plan van aanpak van de ondertoezichtstelling was opgesteld, al intern besloten dat thuisplaatsing niet meer aan de orde is. De ouders hebben daarover pas in april 2025 een brief ontvangen. Er heeft geen, dan wel onvoldoende onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [minderjarige] omdat de GI bij de start van de ondertoezichtstelling de keuze al had gemaakt. Het feit dat de raad onderzoek zal gaan doen naar het gezag van de ouders over [minderjarige] doet daar niets aan af. Dit is geen onderzoek omtrent het perspectiefbesluit. Het kan niet zo zijn dat de ouders moeten afwachten of de raad in het onderzoek naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel misschien tot een andere conclusie komt dan de GI. Voorkomen moet worden dat tijdsverloop de bepalende factor gaat worden en dat onderzoek in een later stadium mogelijk zal afstuiten omdat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing inmiddels is verstreken. [minderjarige] is immers al ruim 14 maanden uit huis geplaatst. Het oordeel van de rechtbank dat een contra-expertise te vroeg is, is daarom onnavolgbaar. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de rechtbank dat een contra-expertise voor [minderjarige] te belastend is. Dit wordt door de rechtbank ook niet nader gemotiveerd. De contra-expertise kan worden gecombineerd met de omgangsbegeleiding bij [instantie 5] . Bovendien zal de contra-expertise zich ook grotendeels richten op de mogelijkheden van de ouders in plaats van op [minderjarige] .
De rechtbank laat tot slot ten onrechte voor rekening en risico van de ouders komen dat het NIFP het door de ouders gewenste onderzoek niet (op korte termijn) kan uitvoeren en dat zij geen andere deskundige voor ogen hebben.




Verlenging uithuisplaatsing






3.9.

De GI voert samengevat het volgende aan.
De GI heeft ten tijde van de uitspraak van de ondertoezichtstelling een plan van aanpak opgesteld. Op 25 februari 2025 hebben ouders gevraagd naar het plan van aanpak. De GI erkent dat zij verzaakt heeft om het plan van aanpak tussentijds naar de ouders te versturen. Dit is te wijten aan interne omstandigheden bij de GI. De GI betreurt het ook dat er onjuiste feitelijke informatie in het plan van aanpak staat.
Op 8 oktober 2024 heeft de GI intern besloten dat [minderjarige] niet op zal groeien bij zijn ouders, maar dat hij in het huidige pleeggezin zal blijven wonen. Op 25 november 2024 is dit met de ouders besproken. De brief inzake het perspectiefbesluit hebben de ouders in april 2025 ontvangen. Aan de ouders is op 25 november 2024 medegedeeld dat deze brief door drukte wel langere tijd op zich kon laten wachten.
De GI heeft vanuit de rechtbank de opdracht gekregen om in te zetten op regelmatige omgang tussen de ouders en [minderjarige] . Vanaf de start van de ondertoezichtstelling heeft de GI de nadruk gelegd op de omgang met de ouders, eerst door het moeder-kindhuis, later door [instantie 5] . Er is daarbij ingezet op het hebben van een 'leuk' contact met de ouders en daarbij is niet gekeken naar de opvoedcapaciteiten van de ouders. De moeder laat met enige aansturing positieve dingen zien, de vader heeft echter meer ondersteuning nodig. Er wordt ook gekeken naar een uitbreiding van de omgang, indien dit mogelijk is. Reden hiervoor is dat, ondanks dat [minderjarige] niet bij de ouders kan wonen, de ouders wel een plaats in het leven van [minderjarige] moeten krijgen en hij een hechtingsrelatie met zijn ouders moet kunnen opbouwen. De GI betwist dat het perspectief van [minderjarige] al bij zijn geboorte vaststond. Voordat [minderjarige] uit huis werd geplaatst, is door de GI ingezet op zeer intensieve hulpverlening voor moeder en kind. Alle ketenpartners hebben geconstateerd dat het de moeder niet lukte om adequaat voor [minderjarige] te zorgen. Haar eigen behoeftes stonden vaker centraal, boven die van [minderjarige] . Er hebben dusdanige onveilige situaties plaatsgevonden dat [minderjarige] in een crisissituatie uit huis is geplaatst. Het perspectiefbesluit is zorgvuldig tot stand gekomen.
Tussentijds hebben er evaluaties plaatsgevonden vanuit [instantie 5] , waarbij gezien wordt dat de moeder tijdens de omgang moeilijk feedback kan accepteren, [minderjarige] op z'n kop hield en dat de vader ook veel sturing nodig heeft.
Inmiddels gaat het goed met [minderjarige] . Hij heeft wel veel medische zorg nodig (gehad). [minderjarige] heeft sinds het begin van de plaatsing binnen het perspectiefbiedend pleeggezin moeite met in slaap komen en doorslapen. Uit onderzoek komt naar voren dat dit slaapprobleem te maken heeft met een onveilige situatie (of situaties) die tijdens de zwangerschap heeft (of hebben) plaatsgevonden.
Tijdens het traject Veilige Start heeft de GI de psychologische rapporten van de ouders in mogen zien. De moeder heeft dit dossier laten verwijderen, naar eigen zeggen omdat dit dossier invloed heeft op het wel/niet terugplaatsen van [minderjarige] . Beide ouders hebben Wlz-indicatie VG6 en VG7. Indien er nog mogelijkheden zijn tot leerbaarheid dan wordt een dergelijke hoge Wlz-indicatie niet toegekend. De onderzoeken van de ouders hebben ook nog tijdens hun volwassenheid plaatsgevonden. Ook hebben beide ouders ieder een mentor. De moeder staat inmiddels op de wachtlijst voor een nieuw psychologisch onderzoek.




Verzoek om een 810a Rv onderzoek




3.9.1.
De GI heeft de raad opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar gezagsbeëindiging van de ouders; de raad zal daarbij ook het perspectiefbesluit van de GI meenemen. De raad is – onder meer vanwege personeelstekort – nog niet met het onderzoek gestart; dat zal dit kalenderjaar ook niet meer gaan gebeuren. Daarbij komt dat de moeder aangemeld staat voor een nieuw psychologisch onderzoek. De GI heeft het perspectief van [minderjarige] zorgvuldig vastgesteld, zowel op grond van de feiten voor als na de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Bovendien was er al veel informatie beschikbaar. De GI kon die informatie niet naast zich neerleggen.



Ten aanzien van beide verzoeken






3.10.
De pleegouders hebben tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het op dit moment goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft extra hulp nodig maar hij ontwikkelt zich goed. Hij heeft geen gips meer nodig en loopt sinds deze week. Ook slaapt [minderjarige] nu door in de nacht. Het contact tussen de pleegouders en de ouders is goed. Ook de grootouders van [minderjarige] komen op bezoek bij de pleegouders. De pleegouders vinden een goede samenwerking met de ouders heel erg belangrijk.



De motivering van de beslissing





3.11.
Het hof overweegt het volgende.



De omvang van het hoger beroep




3.11.1.
Het hoger beroep van de ouders is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .



Het wettelijke kader





Verlenging uithuisplaatsing





3.11.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



3.11.3.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



3.11.4.
Op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 en artikel 1:265c lid 2 BW wordt voldaan. Vast staat dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, omdat sprake is van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 BW en de ouders daartegen geen hoger beroep hebben ingesteld.


3.11.5.

Het hof is verder van oordeel dat, anders dan de ouders in hoger beroep aanvoeren, de ouders door hun beperkingen en persoonlijke problematiek [minderjarige] niet de zorg en opvoeding kunnen bieden die hij nodig heeft. Beide ouders kunnen niet zelfstandig functioneren. Zo wonen zowel de moeder als de vader binnen een instantie die 24-uurs zorg biedt middels een VG7-indicatie respectievelijk een VG6-indicatie, die de op één na zwaarste ondersteuningsbehoeftes vertegenwoordigen binnen Wlz. Dat de moeder aanvoert dat zij nu minder zorg en ondersteuning ontvangt dan passend is bij deze Wlz-indicatie, heeft zij op geen enkele manier met stukken onderbouwd. Verder volgt uit het raadsrapport dat de moeder op sociaal emotioneel gebied de ontwikkeling heeft van een kind van tussen de 6-18 maanden en dat zij functioneert op een cognitief zwakbegaafd niveau (onderzoek [instantie 3] 2015). De vader functioneert op een sociaal emotioneel niveau van een kind van 0-6 maanden (onderzoek [instantie 6] 2022). Daarnaast hebben de ouders allebei een mentor die voor hen beslissingen neemt over hun niet-vermogensrechtelijke belangen, omdat zij hier vanwege hun geestelijke toestand zelf niet behoorlijk toe in staat zijn. De moeder heeft volgens de mentor op veel levensgebieden hulp en ondersteuning nodig. De mentor is van mening dat de moeder hierdoor niet de verantwoordelijkheid kan dragen om (op termijn) zelfstandig voor een jong kind te zorgen, zo blijkt uit het raadsrapport. Ook de vader kan volgens de mentor niet voor zichzelf zorgen. Desgevraagd is tijdens de mondelinge behandeling niet gebleken dat de mening van de mentoren over de mogelijkheden van de ouders om voor [minderjarige] te zorgen is veranderd, dan wel dat het verzoek tot vernietiging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] door de mentoren wordt ondersteund.
Daarnaast blijkt uit het raadsrapport dat voorafgaand aan de uithuisplaatsing meerdere vormen van intensieve hulpverlening zijn ingezet (Veilige Start, [instantie 7] en het moeder-kindhuis). Anders dan de ouders in hoger beroep aanvoeren, volgt hieruit – naar het oordeel van het hof – dat het perspectief van [minderjarige] niet meteen bij zijn geboorte al vaststond. De moeder was ook met genoemde intensieve hulpverlening niet voldoende in staat om [minderjarige] de verzorging en opvoeding en een veilige thuissituatie te bieden die hij nodig heeft. Zo zijn er, ondanks dat er in het moeder-kindhuis voortdurend hulpverlening aanwezig was, voor [minderjarige] gevaarlijke situaties ontstaan.




3.11.6.
Daarbij komt dat dat de omgang tussen de ouders en [minderjarige] nog altijd zeer beperkt is en onder begeleiding plaatsvindt. Ook om die reden is een terugplaatsing van [minderjarige] nu niet aan de orde. Op dit moment is sprake van een begeleide gezamenlijke omgangsregeling tussen [minderjarige] en de ouders van één keer per week gedurende twee uur. Er zijn tijdens de contactmomenten in het verleden periodes met veel aansturing en ondersteuning geweest, waarbij er ook zorgen zijn geweest over de veiligheid van [minderjarige] . Zo heeft er in december 2024 een forse escalatie tussen de ouders plaatsgevonden in het bijzijn van [minderjarige] , waarna de omgang vanwege de veiligheid van [minderjarige] niet meer bij de ouders thuis kon plaatsvinden en de ouders enige tijd apart van elkaar omgang met [minderjarige] hebben gehad. Weliswaar volgt uit de meest recente rapportages van [instantie 5] dat de gezamenlijke contactmomenten goed en steeds beter verlopen, maar hieruit volgt ook dat de begeleiding nog steeds nodig is en nodig blijft. Zo zijn er voor met name de vader extra aandachtspunten tijdens de omgangsmomenten met [minderjarige] . Voorbeelden hiervan zijn dat de vader ondersteuning nodig heeft bij hoe hij [minderjarige] vast moet houden en bij het aantrekken van [minderjarige] zijn jas en dat de vader er door de omgangbegeleider op moet worden gewezen dat hij gebruik dient te maken van een zebrapad. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat het hof van oordeel is dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Nog daargelaten dat de ouders op dit moment niet over een geschikte woning beschikken waar [minderjarige] in het geval een terugplaatsing zou kunnen wonen, hetgeen de ouders ook erkennen. De ouders vertellen dat zij, samen met de mentor, bezig zijn om een geschikte instelling te vinden waar zij samen mogen wonen, met daarbij voor hen passende begeleiding. Het is daarvoor eerst nodig dat de moeder een nieuw psychologisch onderzoek ondergaat, zij staat daarvoor op de wachtlijst. Het zal dus nog enige tijd duren voordat duidelijkheid komt of de ouders samen kunnen wonen bij [instantie 4] of een andere instelling.



Verzoek om een 810a Rv onderzoek





3.11.7.

Ten aanzien van het verzoek van de ouders om een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv overweegt het hof het volgende.
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende onder meer de ondertoezichtstelling van minderjarigen op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de raad in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming, die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161).




3.11.8.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel moet worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632 en HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:575).



3.11.9.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat een contra-expertise onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv niet kan bijdragen tot de beslissing die aan het hof voorligt. Het hof dient immers te beslissen of de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen tot 3 juli 2026 in stand dient te blijven. Naar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat [minderjarige] feitelijk nu niet bij een van de ouders kan worden geplaatst. Beide ouders verblijven op een plek (vader te [instantie 6] en moeder bij [instantie 8] ) waar nu geen toestemming is om [minderjarige] bij hen te plaatsen. Dat dit bij de moeder bij [instantie 8] wel mogelijk zou zijn, is door de GI weersproken en niet onderbouwd door de moeder. Daarbij weegt het hof ook mee dat de mentor tot nu toe niet ondersteunt dat [minderjarige] bij de moeder wordt geplaatst. De uitkomsten van een onderzoek in contra-expertise naar de mogelijkheden van de ouders om zelf voor [minderjarige] te zorgen, kunnen daarmee nu niet bijdragen aan de beslissing in deze zaak.



3.11.10.

De woonsituatie van de ouders kan op termijn veranderen, omdat de ouders bezig zijn met een aanvraag om samen te wonen bij een instelling zoals [instantie 4] of een andere instelling. Dit traject loopt echter nog als ook de aanvraag voor een nieuw psychologisch onderzoek dat de moeder in dat verband dient te ondergaan. Nu hierover echter nog geen duidelijkheid is en voor het hof voldoende vaststaat dat het feitelijk niet mogelijk is dat [minderjarige] nu bij de ouders wordt geplaatst, kan een contra-expertise onderzoek nu niet bijdragen aan de beslissing in deze zaak, zodat het hof dit verzoek zal afwijzen.
Nog daargelaten dat ten aanzien van beide ouders sprake is van een mentorschap, waardoor zij – naar het oordeel van het hof – niet zonder toestemming van de mentor een verzoek om een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 810a Rv kunnen doen. Dat de ouders met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast, maakt dat niet anders. Een dergelijk onderzoek ziet namelijk op de niet-vermogensrechtelijke belangen van de ouders, waarover zij – vanwege het mentorschap – niet zelfstandig kunnen beslissen. Niet gesteld of gebleken is dat de mentor van de ouders het verzoek om een deskundigenonderzoek ondersteunt.




De slotsom






3.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.





4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 1 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.P. de Beij en G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn op 18 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.