Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:56
2019-01-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/03317
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:56 → ECLI:NL:GHARL:2018:6095
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:56 → ECLI:NL:PHR:2018:1302
Inhoudsindicatie
Art. 234, lid 3, Gemeentewet, naheffing parkeerbelasting bij parkeertijd van minder dan een uur.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2018:1302 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2018
Geciteerd door (35)
- ECLI:NL:HR:2026:715 Hoge Raad 24-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:801 Parket bij de Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:801 Parket bij de Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:801 Parket bij de Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14615 Rechtbank Den Haag 14-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3386 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2847 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1063 Rechtbank Gelderland 07-02-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3235 Gerechtshof Amsterdam 05-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5465 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-08-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2777 Gerechtshof Amsterdam 01-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1308 Gerechtshof Den Haag 03-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:979 Gerechtshof Amsterdam 26-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:104 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:11349 Rechtbank Rotterdam 04-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10728 Rechtbank Rotterdam 16-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10613 Rechtbank Rotterdam 10-11-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:6661 Rechtbank Amsterdam 17-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7736 Rechtbank Rotterdam 23-08-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7737 Rechtbank Rotterdam 23-08-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:485 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1014 Gerechtshof Amsterdam 20-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1014 Gerechtshof Amsterdam 20-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2462 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1491 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:677 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-01-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2022:2525 Rechtbank Amsterdam 10-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-11-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2134 Gerechtshof Den Haag 21-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2134 Gerechtshof Den Haag 21-10-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2512 Rechtbank Midden-Nederland 02-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2186 Rechtbank Den Haag 16-03-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4629 Rechtbank Amsterdam 20-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13842 Rechtbank Den Haag 12-12-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:9592 Rechtbank Rotterdam 04-12-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.334 tekens)
18 januari 2019
Nr. 18/03317
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2018, nr. 17/01279, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 17/1596) betreffende een aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2018:1302).
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 29 maart 2017 een personenauto geparkeerd op een in de gemeente Hilversum gelegen plek waar op dat tijdstip alleen tegen betaling kon worden geparkeerd.
Bij een parkeerautomaat heeft belanghebbende € 1 parkeerbelasting betaald; het bewijs van die betaling vermeldt 13.58 uur als begintijd en 14.21 uur als eindtijd.
2.1.2.
Bij controle bleek de auto die dag om 14.24 uur (nog) op die plek geparkeerd te staan. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,50, bestaande uit € 2,60 aan nageheven belasting en € 60,90 aan administratieve kosten. Het bedrag van € 2,60 was het parkeertarief per uur.
2.2.1.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 verminderd, overwegende dat belanghebbende € 1 heeft betaald voor een periode die geheel valt binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven, te weten 13.24 uur tot en met 14.24 uur, terwijl de naheffing volgens artikel 20 AWR alleen betrekking kan hebben op de niet betaalde belasting.
2.2.2.
De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum stelde zich in het door hem ingestelde hoger beroep op het standpunt dat het na te heffen bedrag volgens artikel 234, lid 3, Gemeentewet gelijk is aan het tarief voor één uur parkeren, tenzij een langere parkeerduur aannemelijk is.
2.2.3.
Het Hof heeft uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wettelijke bepaling afgeleid dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting naar evenredigheid moet worden verlaagd indien duidelijk is dat de periode waarover de parkeerbelasting verschuldigd is minder dan een uur beloopt. Op die grond heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.3.1.
Naar aanleiding van de tegen deze uitspraak gerichte klachten overweegt de Hoge Raad als volgt.
2.3.2.
Artikel 234, lid 3, Gemeentewet bepaalt dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting wordt berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. De tekst van deze bepaling duidt erop dat in een geval als het onderhavige forfaitair wordt nageheven op basis van een parkeerduur van een uur. Daarmee is erin voorzien dat de naheffing niet behoeft te worden beperkt tot de te weinig betaalde belasting zoals bedoeld in artikel 20, lid 1, AWR.
2.3.3.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 234, lid 3, Gemeentewet (zie de onderdelen 5.3 tot en met 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) is af te leiden dat de gemeentelijke wetgever de keuze is gelaten om te bepalen dat, uit een oogpunt van doelmatigheid, forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven, dan wel te bepalen dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur die is verstreken bij de constatering dat zonder betaling is geparkeerd.
2.3.4.
In de toepasselijke verordening is ervoor gekozen forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur na te heffen. De heffingsambtenaar heeft dus terecht de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur.
2.3.5.
De klachten treffen doel. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en
verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.
Nr. 18/03317
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2018, nr. 17/01279, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 17/1596) betreffende een aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2018:1302).
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 29 maart 2017 een personenauto geparkeerd op een in de gemeente Hilversum gelegen plek waar op dat tijdstip alleen tegen betaling kon worden geparkeerd.
Bij een parkeerautomaat heeft belanghebbende € 1 parkeerbelasting betaald; het bewijs van die betaling vermeldt 13.58 uur als begintijd en 14.21 uur als eindtijd.
2.1.2.
Bij controle bleek de auto die dag om 14.24 uur (nog) op die plek geparkeerd te staan. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,50, bestaande uit € 2,60 aan nageheven belasting en € 60,90 aan administratieve kosten. Het bedrag van € 2,60 was het parkeertarief per uur.
2.2.1.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 verminderd, overwegende dat belanghebbende € 1 heeft betaald voor een periode die geheel valt binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven, te weten 13.24 uur tot en met 14.24 uur, terwijl de naheffing volgens artikel 20 AWR alleen betrekking kan hebben op de niet betaalde belasting.
2.2.2.
De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum stelde zich in het door hem ingestelde hoger beroep op het standpunt dat het na te heffen bedrag volgens artikel 234, lid 3, Gemeentewet gelijk is aan het tarief voor één uur parkeren, tenzij een langere parkeerduur aannemelijk is.
2.2.3.
Het Hof heeft uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wettelijke bepaling afgeleid dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting naar evenredigheid moet worden verlaagd indien duidelijk is dat de periode waarover de parkeerbelasting verschuldigd is minder dan een uur beloopt. Op die grond heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.3.1.
Naar aanleiding van de tegen deze uitspraak gerichte klachten overweegt de Hoge Raad als volgt.
2.3.2.
Artikel 234, lid 3, Gemeentewet bepaalt dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting wordt berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. De tekst van deze bepaling duidt erop dat in een geval als het onderhavige forfaitair wordt nageheven op basis van een parkeerduur van een uur. Daarmee is erin voorzien dat de naheffing niet behoeft te worden beperkt tot de te weinig betaalde belasting zoals bedoeld in artikel 20, lid 1, AWR.
2.3.3.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 234, lid 3, Gemeentewet (zie de onderdelen 5.3 tot en met 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) is af te leiden dat de gemeentelijke wetgever de keuze is gelaten om te bepalen dat, uit een oogpunt van doelmatigheid, forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven, dan wel te bepalen dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur die is verstreken bij de constatering dat zonder betaling is geparkeerd.
2.3.4.
In de toepasselijke verordening is ervoor gekozen forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur na te heffen. De heffingsambtenaar heeft dus terecht de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur.
2.3.5.
De klachten treffen doel. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en
verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.