Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:45

2019-01-15 Strafrecht 17/00364
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-01-15
Publicatiedatum
2019-01-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
17/00364
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/169 | SR-Updates.nl 2019-0138

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen gewoonteheling, medeplegen Opiumwetdelicten en medeplegen gewoontewitwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling. Hof heeft verzuimd in strafzaak verbeurdverklaarde geldbedragen in mindering te brengen op opgelegde betalingsverplichting, art. 33a.1.a Sr. HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld (vgl. ECLI:NL:HR: 2016:874). CAG: Hof heeft in eenvoudige kasopstelling contante bedragen opgenomen die tijdens doorzoekingen onder betrokkene in beslag zijn genomen (in totaal € 9.580,-). Uit onherroepelijk geworden vonnis van Rb in strafzaak blijkt dat diezelfde geldbedragen verbeurd zijn verklaard, aangezien geldbedragen aan betrokkene toebehoorden, deze afkomstig zijn uit bedrijf van betrokkene en zijn vader, en legale en illegale vermogensbestanddelen van verdachte, zijn vader en hun vennootschap zijn vermengd en grotendeels afkomstig zijn uit gewoonteheling en drugshandel. Derhalve is dit voordeel reeds aan betrokkene ontnomen. Gelet daarop had Hof in strafzaak verbeurd verklaarde geldbedragen in mindering moeten brengen op aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting. HR doet zaak zelf af door betalingsverplichting te verminderen met verbeurdverklaarde geldbedragen. Samenhang met 17/00362 P.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (4)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.033 tekens)
15 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/00364 P


Hoge Raad der Nederlanden


Arrest



op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 januari 2017, nummer 21/007228-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:



[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.




1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de vaststelling van de betalingsverplichting, tot vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 80.547,- bedraagt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.





2Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de in de hoofdzaak verbeurdverklaarde geldbedragen van in totaal € 9.580,- niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.



2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12 tot en met 14 is het middel terecht voorgesteld (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR: 2016:874, rov. 2.4).



2.3.
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met de verbeurdverklaarde geldbedragen van in totaal € 9.580,-. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 90.127,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat een bedrag van € 80.547,- bedraagt.





3Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





4Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 80.547,-;
verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2019.