Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1912
2019-12-06
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
19/03208
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1912 → ECLI:NL:PHR:2019:1021 gevolgd
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verzet tegen griffierecht; art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken. Vordering van onbepaalde waarde of met beloop van een bepaald bedrag?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:1014 Hoge Raad 02-06-2017
Geciteerd door (12)
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:4 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:947 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7484 Rechtbank Gelderland 31-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1883 Gerechtshof Den Haag 22-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1882 Gerechtshof Den Haag 22-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1881 Gerechtshof Den Haag 22-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4237 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2021:11627 Rechtbank Noord-Holland 16-12-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:7335 Rechtbank Noord-Holland 25-08-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6285 Rechtbank Noord-Holland 07-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:623 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:284 Rechtbank Midden-Nederland 22-01-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (5.569 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/03208
Datum 6 december 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
Mr. D.M. de Knijff, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
en kantoorhoudende te Den Haag,
OPPOSANT op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken,
tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad,
mede optredend namens:
1. Mr. Paul Frederik SCHEPEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van CompLions B.V, en
2. BDO Advisory B.V.,
hierna: de curator c.s.
1Feiten en procesverloop
1.1
In deze verzetprocedure op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) verzoekt mr. De Knijff, die in cassatie optreedt voor de curator c.s., correctie van de hoogte van het in cassatie geheven griffierecht, in die zin dat alsnog het tarief voor een vordering van onbepaalde waarde wordt toegepast.
1.2
In de hoofdzaak vorderen de curator c.s. een verklaring voor recht dat ING Bank N.V. (hierna: ING) geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door de gefailleerde ontwikkelde software en dat de verkoopopbrengst van de auteursrechten ten bedrage van € 155.000,-- daarom niet toekomt aan ING.
In reconventie vordert ING een verklaring voor recht dat zij een rechtsgeldig eerste pandrecht heeft verkregen op (onder meer) het auteursrecht van de gefailleerde op door haar ontwikkelde software, en veroordeling van de curator tot afdracht van de verkoopopbrengst van voornoemd auteursrecht, tot het beloop van haar vordering op de gefailleerde ten bedrage van € 105.249,33.
De rechtbank heeft de conventionele vordering van de curator c.s. toegewezen en de reconventionele vordering van ING afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft ING sprongcassatie ingesteld (zaak 18/05525).
1.3
De griffier heeft de hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van art. 3 Wgbz bepaald op € 6.591,--. Dat bedrag is op 6 mei 2019 ten laste gebracht van de rekening-courant van het kantoor van mr. De Knijff.
Tegen deze beslissing is mr. De Knijff in verzet gekomen.
De griffier heeft een verweerschrift ingediend en verzocht het verzet ongegrond te verklaren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
2Beoordeling van het verzet
2.1
Bij de vaststelling van de hoogte van het griffierecht is de griffier ervan uitgegaan dat de zaak betrekking heeft op een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,--. De curator c.s. betogen dat hun vordering tot verklaring voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door de gefailleerde ontwikkelde software, een vordering is van onbepaalde waarde, waarvoor een bedrag van € 811,-- aan griffierecht moet worden geheven.
2.2
Bij de beoordeling van het verzet wordt het volgende vooropgesteld.
Op grond van art. 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken (in cassatie: in vorderingszaken) van elke eiser en elke verschenen gedaagde (zoals in dit geval de curator c.s.) een griffierecht geheven. Op grond van art. 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding (in cassatie: aan de hand van de vordering in de procesinleiding). De hoogte van het griffierecht wordt volgens art. 3 lid 5 Wgbz bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.
In cassatie brengt het voorgaande mee dat voor de berekening van het griffierecht in een bij procesinleiding aangebrachte cassatiezaak moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep in cassatie is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd.
2.3
Het cassatieberoep van ING strekt blijkens de procesinleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, zowel in conventie als in reconventie. Zowel de waarde van de vordering van de curator c.s. in conventie, als de waarde van de vordering van ING in reconventie, bedraagt meer dan € 100.000,-- (zie de weergave van die vorderingen hiervoor in 1.2). Dat brengt mee dat de hoogte van het griffierecht terecht is bepaald naar het tarief geldend voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,--.
Het verzet is derhalve ongegrond.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 6 december 2019.
Zie HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, rov. 2.2.1.
CIVIELE KAMER
Nummer 19/03208
Datum 6 december 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
Mr. D.M. de Knijff, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
en kantoorhoudende te Den Haag,
OPPOSANT op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken,
tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad,
mede optredend namens:
1. Mr. Paul Frederik SCHEPEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van CompLions B.V, en
2. BDO Advisory B.V.,
hierna: de curator c.s.
1Feiten en procesverloop
1.1
In deze verzetprocedure op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) verzoekt mr. De Knijff, die in cassatie optreedt voor de curator c.s., correctie van de hoogte van het in cassatie geheven griffierecht, in die zin dat alsnog het tarief voor een vordering van onbepaalde waarde wordt toegepast.
1.2
In de hoofdzaak vorderen de curator c.s. een verklaring voor recht dat ING Bank N.V. (hierna: ING) geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door de gefailleerde ontwikkelde software en dat de verkoopopbrengst van de auteursrechten ten bedrage van € 155.000,-- daarom niet toekomt aan ING.
In reconventie vordert ING een verklaring voor recht dat zij een rechtsgeldig eerste pandrecht heeft verkregen op (onder meer) het auteursrecht van de gefailleerde op door haar ontwikkelde software, en veroordeling van de curator tot afdracht van de verkoopopbrengst van voornoemd auteursrecht, tot het beloop van haar vordering op de gefailleerde ten bedrage van € 105.249,33.
De rechtbank heeft de conventionele vordering van de curator c.s. toegewezen en de reconventionele vordering van ING afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft ING sprongcassatie ingesteld (zaak 18/05525).
1.3
De griffier heeft de hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van art. 3 Wgbz bepaald op € 6.591,--. Dat bedrag is op 6 mei 2019 ten laste gebracht van de rekening-courant van het kantoor van mr. De Knijff.
Tegen deze beslissing is mr. De Knijff in verzet gekomen.
De griffier heeft een verweerschrift ingediend en verzocht het verzet ongegrond te verklaren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
2Beoordeling van het verzet
2.1
Bij de vaststelling van de hoogte van het griffierecht is de griffier ervan uitgegaan dat de zaak betrekking heeft op een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,--. De curator c.s. betogen dat hun vordering tot verklaring voor recht dat ING geen geldig pandrecht heeft op de auteursrechten ten aanzien van de door de gefailleerde ontwikkelde software, een vordering is van onbepaalde waarde, waarvoor een bedrag van € 811,-- aan griffierecht moet worden geheven.
2.2
Bij de beoordeling van het verzet wordt het volgende vooropgesteld.
Op grond van art. 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken (in cassatie: in vorderingszaken) van elke eiser en elke verschenen gedaagde (zoals in dit geval de curator c.s.) een griffierecht geheven. Op grond van art. 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding (in cassatie: aan de hand van de vordering in de procesinleiding). De hoogte van het griffierecht wordt volgens art. 3 lid 5 Wgbz bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.
In cassatie brengt het voorgaande mee dat voor de berekening van het griffierecht in een bij procesinleiding aangebrachte cassatiezaak moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep in cassatie is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd.
2.3
Het cassatieberoep van ING strekt blijkens de procesinleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, zowel in conventie als in reconventie. Zowel de waarde van de vordering van de curator c.s. in conventie, als de waarde van de vordering van ING in reconventie, bedraagt meer dan € 100.000,-- (zie de weergave van die vorderingen hiervoor in 1.2). Dat brengt mee dat de hoogte van het griffierecht terecht is bepaald naar het tarief geldend voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,--.
Het verzet is derhalve ongegrond.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 6 december 2019.
Zie HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, rov. 2.2.1.