Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1871
2019-11-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/02386
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1871 → ECLI:NL:GHAMS:2019:1472
Inhoudsindicatie
art. 9.6 Wet IB 2001, art. 45aa Uitvoeringsregeling Wet IB 2001, art. 60 AWR, art. 6:11 Awb, verzoek tot ambtshalve vermindering aanslag IB/PVV ingediend bij niet meer bestaand postadres Belastingdienst. Verschoonbare termijnoverschrijding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (47)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6009 Rechtbank Gelderland 22-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2346 Gerechtshof Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2346 Gerechtshof Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1574 Rechtbank Noord-Nederland 30-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:4436 Rechtbank Noord-Holland 30-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:4437 Rechtbank Noord-Holland 30-03-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:597 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-03-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3291 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6674 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6674 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6403 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2230 Gerechtshof Den Haag 10-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2835 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1541 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3074 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3959 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:644 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2551 Gerechtshof Den Haag 16-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3441 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2105 Gerechtshof Den Haag 20-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7067 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7068 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-08-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2298 Gerechtshof Amsterdam 15-08-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3376 Rechtbank Noord-Nederland 03-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3445 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:160 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:95 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1795 Hoge Raad 02-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5042 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-08-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1649 Gerechtshof Den Haag 21-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3900 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1439 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:481 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:375 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-01-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5374 Rechtbank Noord-Nederland 21-12-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5374 Rechtbank Noord-Nederland 21-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4397 Gerechtshof Amsterdam 16-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5932 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4443 Rechtbank Noord-Nederland 19-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10838 Rechtbank Den Haag 22-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9859 Rechtbank Den Haag 14-07-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3421 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:2130 Rechtbank Gelderland 12-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2984 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.522 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02386
Datum 29 november 2019
ARREST
In de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 april 2019, nr. 18/00349, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/5179) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 30 december 2016 per aangetekende post een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gestuurd aan de Inspecteur, naar het op het aanslagbiljet vermelde postbusnummer. Omdat dat postbusnummer niet meer bij de Belastingdienst in gebruik was, heeft PostNL de brief op 31 december 2016 aan belanghebbende geretourneerd. Belanghebbende heeft vervolgens het verzoek met andere adressering nogmaals aan de Inspecteur gezonden, die het op 18 januari 2017 heeft ontvangen.
2.1.2
De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat het niet is ingediend binnen 5 jaar na het einde van het kalenderjaar 2011.
2.2
Voor het Hof was in geschil of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur het verzoek niet had mogen afwijzen op de grond dat het na de vijf jaarstermijn is ontvangen. Hiertoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende het verzoek had verzonden aan het postbusnummer dat op het aanslagbiljet was vermeld. De omstandigheid dat het betreffende belastingkantoor is opgeheven en de doorzendservice van dat postbusnummer was opgehouden dienen niet voor rekening van belanghebbende te komen, aldus het Hof.
2.3
Het middel betoogt dat bij de beoordeling van de tijdigheid van een verzoek om ambtshalve vermindering moet worden uitgegaan van de datum waarop de Inspecteur dat verzoek heeft ontvangen. Een termijnoverschrijding kan niet met toepassing van artikel 6:11 Awb verschoonbaar worden geacht, omdat hoofdstuk 6 van de Awb alleen van toepassing is bij bezwaar en beroep waar het in dit geval niet om gaat. Aangezien het verzoek is ontvangen meer dan 5 jaar na het einde van 2011, is het verzoek terecht om die reden afgewezen, aldus het middel.
2.4.1
De ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV die is voorzien in artikel 9.6 Wet IB 2001, kan door de Inspecteur ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende worden verleend. In artikel 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is bepaald dat een vermindering niet wordt verleend indien vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag inkomstenbelasting moet zijn gedaan binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
2.4.2
Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR. Dat artikel bepaalt dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Het Hof is er daarom terecht vanuit gegaan dat de inspecteur een na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling ingediend verzoek in behandeling moet nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.4.3
Het oordeel van het Hof dat belanghebbende in dit geval met de te late indiening van het verzoek niet in verzuim was, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie moet daarom ongegrond worden verklaard.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.
Staatscourant 2010, 21111, pag. 41/42
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02386
Datum 29 november 2019
ARREST
In de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 april 2019, nr. 18/00349, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/5179) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 30 december 2016 per aangetekende post een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gestuurd aan de Inspecteur, naar het op het aanslagbiljet vermelde postbusnummer. Omdat dat postbusnummer niet meer bij de Belastingdienst in gebruik was, heeft PostNL de brief op 31 december 2016 aan belanghebbende geretourneerd. Belanghebbende heeft vervolgens het verzoek met andere adressering nogmaals aan de Inspecteur gezonden, die het op 18 januari 2017 heeft ontvangen.
2.1.2
De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat het niet is ingediend binnen 5 jaar na het einde van het kalenderjaar 2011.
2.2
Voor het Hof was in geschil of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur het verzoek niet had mogen afwijzen op de grond dat het na de vijf jaarstermijn is ontvangen. Hiertoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende het verzoek had verzonden aan het postbusnummer dat op het aanslagbiljet was vermeld. De omstandigheid dat het betreffende belastingkantoor is opgeheven en de doorzendservice van dat postbusnummer was opgehouden dienen niet voor rekening van belanghebbende te komen, aldus het Hof.
2.3
Het middel betoogt dat bij de beoordeling van de tijdigheid van een verzoek om ambtshalve vermindering moet worden uitgegaan van de datum waarop de Inspecteur dat verzoek heeft ontvangen. Een termijnoverschrijding kan niet met toepassing van artikel 6:11 Awb verschoonbaar worden geacht, omdat hoofdstuk 6 van de Awb alleen van toepassing is bij bezwaar en beroep waar het in dit geval niet om gaat. Aangezien het verzoek is ontvangen meer dan 5 jaar na het einde van 2011, is het verzoek terecht om die reden afgewezen, aldus het middel.
2.4.1
De ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV die is voorzien in artikel 9.6 Wet IB 2001, kan door de Inspecteur ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende worden verleend. In artikel 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is bepaald dat een vermindering niet wordt verleend indien vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag inkomstenbelasting moet zijn gedaan binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
2.4.2
Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR. Dat artikel bepaalt dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Het Hof is er daarom terecht vanuit gegaan dat de inspecteur een na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling ingediend verzoek in behandeling moet nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.4.3
Het oordeel van het Hof dat belanghebbende in dit geval met de te late indiening van het verzoek niet in verzuim was, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie moet daarom ongegrond worden verklaard.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.
Staatscourant 2010, 21111, pag. 41/42