Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1746
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1746 → ECLI:NL:PHR:2019:916
Inhoudsindicatie
Deelname aan criminele organisatie die zich richtte op het op grote schaal telen van hennep (art. 11a (oud) Opiumwet, thans art. 11b Opiumwet en art. 140.1 Sr), medeplegen bedrijfsmatig telen van groot aantal hennepplanten (art. 11.3 jo. 3.C Opiumwet), medeplegen diefstal elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr) en medeplegen gewoontewitwassen geldbedragen en voertuigen (art. 420ter jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr). 1. Klacht over verwerping verweer dat in woning aangetroffen stukken, bescheiden en voorwerpen niet redengevend zijn voor bewijs van bewezenverklaarde, nu verdachte t.t.v. bewezenverklaarde niet in pand woonde. 2. Bewijsklacht deelname aan criminele organisatie. 3. Kon Hof in strafmotivering exploitatie van verschillende hennepkwekerijen en omstandigheid dat verdachte leiding heeft gegeven aan criminele organisatie betrekken, nu verdachte enkel is veroordeeld voor medeplegen hennepteelt in 1 kwekerij en strafverzwarende omstandigheid t.a.v. criminele organisatie niet ten laste is gelegd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met ECLI:NL:HR:2019:1643, 15/05643, 17/05745 en 18/04966.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.760 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 18/00234
Datum 12 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2017, nummer 21/003249-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het derde middel
3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2019.