Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:14
2019-01-08
Strafrecht
16/06291
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:14 → ECLI:NL:PHR:2018:664
Inhoudsindicatie
Verstoring gemeenteraadsvergadering Zeist door demonstranten. Medeplegen van door verwekken van wanorde een geoorloofde openbare vergadering opzettelijk storen (art. 144 Sr) en medeplegen van wederrechtelijk in voor openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op vordering van bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen (art. 139.1 Sr). Is een vordering gedaan door de griffier van de gemeenteraad een vordering van de bevoegde ambtenaar a.b.i. art. 139.1 Sr? Op gronden vermeld in ECLI:NL:HR:2019:13 kan het middel niet tot cassatie leiden. Volgt verwerping. Samenhang met ECLI:NL:HR:2018:2397 (wrakingsprocedure), 16/06274, 16/06328 en 16/06330.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:13 Hoge Raad 08-01-2019
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:PHR:2021:1095 Parket bij de Hoge Raad 23-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1096 Parket bij de Hoge Raad 23-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2019:563 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.617 tekens)
8 januari 2019
Strafkamer
nr. S 16/06291
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 december 2016, nummer 21/007238-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren op [geboortedatum] 1969.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat de vordering gedaan door de griffier van de gemeenteraad niet een vordering van de "bevoegde" ambtenaar als bedoeld in art. 139, eerste lid, Sr is.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 16/06274, ECLI:NL:HR:2019:13, kan het middel niet tot cassatie leiden.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2019.
Strafkamer
nr. S 16/06291
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 december 2016, nummer 21/007238-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren op [geboortedatum] 1969.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat de vordering gedaan door de griffier van de gemeenteraad niet een vordering van de "bevoegde" ambtenaar als bedoeld in art. 139, eerste lid, Sr is.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 16/06274, ECLI:NL:HR:2019:13, kan het middel niet tot cassatie leiden.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2019.