Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:1073

2019-07-02 Strafrecht 17/03880
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-07-02
Publicatiedatum
2019-07-02
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
17/03880
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/826

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben hennep (art. 3.C Opiumwet) en hennepteelt in woning (art. 3.B Opiumwet). Middelen over 1. bewijsklacht daderschap van de verdachte, 2. uos aanwezigheid van verdachte in woning en aanwezig hebben en telen hennep, 3. afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek en 4. vordering b.p. en rechtstreekse schade van de huiseigenaar in wiens huis de hennepplantage was opgezet. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/03879.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (1.527 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN





STRAFKAMER







Nummer 17/03880

Datum 2 juli 2019





ARREST





op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 augustus 2017, nummer 22/001088-17, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.





1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.P. Visser, advocaat te
's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren
Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2019.